Blog Image

Sadeler's blog

If I were a miller at a mill wheel grinding, would you miss your color box, and your soft shoe shining? (c) Tim Hardin

Link naar:  windmolens, Facebook   Meer weten? contacteer mij. 

Opgelet: Alle artikels en foto's zijn beschermd door copyright. Alle overeenkomsten tussen bestaande personen en personages berusten op louter toeval. Topfoto (c) Michel Verdoodt.

Mei 2022 – dag 6 – Abergavenny- Monmouth – Cheltenham-Woodstock – M25

Zes dagen onderweg Posted on 18 mei, 2022 13:09

Six days in May 2022: dag 6


Dit werd uiteindelijk weer een dag om niet snel te vergeten. Vroeg begonnen, laat geëindigd. Abergavenny en Monmouth in de ochtend, Cheltenham en Woodstock in de namiddag. Uitzicht op een veel te vroege aankomst in Dover, wat dan toch weer tegenviel. In Cobham aan de zuidkant van Londen langs de M25 gestopt voor een laatste plas en een Strabucks Americano. ‘Jawel mevrouw, om mee te nemen,’ want zin om onmiddellijk een halve liter hete koffie soldaat te maken, had ik net niet. Nog binnen het kwartier van de resterende reistijd, er resten nog 158 km, begonnen de borden boven de weg mij er opmerkzaam op te maken, dat ik maar beter voorzichtig kon rijden, want ‘er lopen beesten op de weg’. Tot wel vijf keer toe, en nergens noch een koe noch een verdwaald varken te bespeuren. En dan gebeurde het: plots stonden we met zijn allen stil. Daar stonden we, minstens een uur en driekwart. Weg slonken de minuten die ik daarnet nog op overschot had, en wat later ook de minuten waarbinnen ik had moeten inchecken in Dover. Dat wordt dan de eerste keer in 41 jaar dat ik een boot mis. Bij een maatschappij waar ik voor het eerst de oversteek met maak: DFDS. Hopelijk vragen ze geen toeslag, en zit de eerstvolgende boot niet overvol. Dat deden ze toch, ook al compenseerde dat met het origineel betaalde bedrag, want de nachtboot was een zelfde som voordeliger. Dit wordt alvast thuiskomen een kot in de nacht. Behalve een uitgebrande auto die getakeld werd zagen we niets van het hele incident. Letterlijk geen kat te zien. Vermoedelijk was alles verholpen door de drie brandweerwagens die zich met veel moeite een weg konden banen op de vier rijstroken, waarop de talrijke stilstaande wagens weinig ruimte lieten.
De miserie van het loslopend wild, al kan het ook tam wild geweest zijn, is nog maar pas voorbij en er werd nieuw onheil gepresenteerd. Werken langs de weg, waardoor het verkeer naar een rijstrook werd geleid, waarop een snelheidsbeperking goldt van 30 mijl per uur. 48 Km per uur, en gecontroleerd door camera’s die de gemiddelde snelheid meten. Precies 48 km per uur rijden, of net wat minder, daar moet je een lichte voet voor hebben of cruisecontrole gebruiken, en die is niet voorhanden. Bij de minste daling in de weg ga je over de limiet. Om dit meer dan 10 km vol te houden is enige concentratie verreist. En na een ganse dag karren wil die concentratie wel eens wegebben, met als resultaat dat je je plots bevindt op een afslagstrook naar een wegrestaurant. Bon, snel voorbij rijden en de andere kant weer de snelweg op. Had gekund, maar deze keer niet, vanwege afgesloten aan die kant. De voorgeschreven omweg volgen, die leidde naar een eerdere afrit, tikt nog een kwartier bij op de teller.

Bij de incheck zie ik nog net de lichtgevende letters, aangaande corona en bewijzen. Dit kan toch niet waar zijn? Afgelopen vrijdag was er nergens sprake van die akelige aandoening. En nu zouden de Fransen dan toch weer strenger zijn dan de Britten? En jawel de madame van de Franse politie, of was het douane, vraagt naar een bewijs. Ik gebaar van krommenaas, en laat duidelijk zien, dat ik geen papier van een test of iets dergelijks bijheb. Geen ‘passenger location form’. Ze kijkt bitter ernstig. Heb ik een probleem? ‘Et votre telephone?’ probeert ze. Ik duik de auto in en hoop dat de app, die ik in geen half jaar meer gebruikt heb, nog werkt. ‘App downloaden’ verschijnt er op het schermpje van mijn Apple-genoot. Dat zit niet goed, of toch, want ik zie onder de boodschap wel nog het lijstje met certificaten. Het oudste meldt, in het rood, dat het vervallen is. Achter de boosterprik zit gelukkig nog de QR code die ze inscant. Ik krijg een wit papier met een stervormig teken.
De man van de Britse politie gebaart mij om niet uit te stappen, wat ik telkens moet, omdat al die passage hokjes aan de kant staan van het stuur van Britse wagens. ‘Waar ga je heen?’ ‘België.’ ‘Naar huis?’, ‘jawel.’ En ik mag zonder meer door. Geen verdere douanecontrole. Bij de volgende stop mag ik mijn wit papier met ster alweer inleveren. Ik heb geluk want de boot van kwart na twaalf ligt nog op mij te wachten. Weinig volk op deze nachtboot, en van de weinige passagiers ligt de helft, verspreid op de zitbanken, te maffen. Het merendeel zijn Polen of andere Oost-Europese chauffeurs. Onbewust loop ik ‘hun’ refter binnen, bestel fish and chips, waarvoor ik enkel het bijgeleverde flesje water betaal. Niemand die zag dat ik geen truck bestuur. Inderdaad raar dat ik nergens een menu of prijslijst zag. Fish & chips on the house.

Deze morgen in Abergavenny, in de Markthal, viel op dat verschillende standen leeg waren, en er minder volk rondliep dan vorige jaren. Niet vanwege de regen, want die hield vorige jaren ook niemand tegen. Vele van die standhouders zijn oudere sociaal voelende gepensioneerden die wat bijverdienen, van gezelschap en een babbel houden. Ik mag hopen dat ze niet van de aardbodem zijn verdwenen door corona. Heeft Brexit er wat mee te maken? Is er minder aanbod op de bric-a-brac markt? Dat laatste was ook voelbaar in de charity shops, waar amper nog wat te vinden is in de cd bakken of op de boekenrekken. Zou het kunnen dat de Britse cd’s voornamelijk in Europa werden geperst, en dat daardoor het aanbod opdroogt? Dat was in elk geval zo voor de covermounted cd’s bij de muziekbladen Mojo en Uncut kort na Brexit. Al zullen ook de jonge ‘sterren’ die digitaal werken vanop hun zolderkamertjes, minder nood hebben aan cd’s. En toch gelooft de man in Hay in zijn Haystack muziekshop er nog in. Cd’s en cassettes komen terug wist hij mij gisteren te vertellen.
Mijn anderhalf uur gratis staan op de parking van Morrisons zit er op. Ik ben een paar minuten over de limiet gegaan. Zal die camera mijn nummerplaat echt herkennen? Hopelijk niet.
In Monmouth mag je bij de rivier, achter de kerk, een uur gratis parkeren. Het standbeeld van Rolls of was het Royce staat nog altijd trouw op zijn zelfde plaatsje. Ook de boekshop waar ik, jaren geleden, ooit in opgesloten raakte is er nog altijd. In hetzelfde straatje neem ik enkele foto’s van het Savoy theatre. Een oude cinema die nog steeds theater, film en muziek aanbiedt, getuige de affiche van de Chris Barber Big Band die er binnenkort aantreedt.
Het is opgehouden met regenen onderweg naar Monmouth, vaak ook de poort naar Wales genoemd. Rockfield ligt op een boogscheut hier vandaan. Plaats waar in een oude boerderij, de stallen werden omgevormd tot studio’s, Bad Company een plaat opnam. Ook Queen nam er onder andere Bohemian Rhapsody op. Zelfs Oasis trok er jaren later heen.
Om van Monmouth naar Cheltenham te rijden, moet je bij Worchester de Severn over, en rij je verder de autoweg M5 op richting Bristol. Ik herinner mij dagen in Cheltenham waarbij het zoeken was in de auto-atlas en vooral letten op borden langs de weg met de benaming begraafplaats. Vandaag geeft de GPS precies aan waar je links of rechts moet, en waar je eindbestemming ligt. En dat kan dan bijv. een kleine parkeerplaats zijn, midden op een kerkhof, op enkele passen van de laatste rustplaats van Brian Jones, oprichter van de Rolling Stones. Er is weinig veranderd. In de plastic box achter de grafsteen ligt een nieuw dagboek, waarin toch weer enkele bezoekers iets neerpenden. Vaak wordt er verwezen naar het feit dat Brian de echte oprichter van de Stones was, in tegenstelling tot wat de jongeren van tegenwoordig wordt ingelepeld. Ik neem enkele foto’s van de hoge sparrenbomen bij het graf, die ik ooit verkeerdelijk omschreef als eiken. Op dit kerkhof is het een feest voor wie van oude en hoge bomen houdt. Op de onder duivenstront bescheten bank zoek ik een paar centimeters schone ruimte om nog wat te verpozen. Ik heb nog tijd zat en Dover is nog ver. Eerstvolgende stop wordt Woodstock, waar de tearooms net hun deuren sluiten wanneer ik aankom, en ik zoals enkele jaren geleden de Star Inn (https://www.thestarinnwoodstock.co.uk/s_photo.asp ) binnenloop. Nog steeds een café waar classic rock uit de speakers komt. Dylan, Crosby, Stills Nash & Young beroeren er de trommelvliezen. De koffie Americano maakt mijn gestel enigszins loom, en dat merk ik later op de ringweg rond Oxford, voorbij Wolvercote, en andere aan Morse herinnerende plaatsnamen. Vanuit Cheltenham rij je Woodstock binnen via de Woodstock Road, uit het allereerste Morse verhaal. Ik laat Oxford rechts liggen, ook al mag ik in die Britse steden nog overal binnen met mijn 465.000 km oude diesel. In Brexitland kent enkel Londen een Lez (Low Edition Zone), en die geldt dacht ik voor iedereen. Het is vijf na halfzeven, wanneer ik de lange bocht naar de M25 neem, op weg naar de laatste stop te Cobham langs de snelweg. Ik heb ruim de tijd om er de benen te strekken. Mijmerend aan een tafeltje buiten, met mijn papieren beker Americano, gaan mijn gedachten terug naar die aprilmaand in 1981 wanneer ik samen met Janneke en Diane, in Cobham, bij de familie Bennett, in hun sneeuwwitte living, aan tafel zat voor het avonddiner. De kleur was bedoeld als herinnering aan hun huis in Afrika, in Rhodesië, waar ze ten tijde van de regering van Ian Smith woonden. We hadden net ervoor, achter in hun tuin hun dartelende Chow Chows gefotografeerd. Zij was een autoriteit, voorzitster van de Chinese Chow Club, en stond op onze lijst van te bezoeken Chow kennels dat voorjaar in 1981. Het was onze laatste stop eer we met luttele aanwijzingen van hen dwars doorheen Londen reden via de North Circular Road, er was nog geen M25 in die dagen, en we van Dover naar Oostende voeren. Er is veel veranderd in al die jaren. Van Londen merk je niets meer bij een doortocht naar het Noorden, of Westen. Alles gaat nu een stuk vlotter, tenminste…. zie begin van dit verhaal.



Mei 2019 – dag 5,6 – Hay-Abergavenny-Cheltenham-Woodstock

Zes dagen onderweg Posted on 03 jul, 2019 14:05

Six days in May: dag 5

Wie naar Hay komt doet dit, of om er in de omgeving te wandelen, of om er naar boeken te zoeken, of om er aan het jaarlijkse literaire festival deel te nemen. Een gebeurtenis, die jaarlijks eind mei of begin juni, tienduizenden naar dit bergdorpje lokt, om er de crème de la crème van de literatuur te ontmoeten.

Ik ken intussen in het dorp enkele plaatsen die ik zeker wil aandoen. Ik mag zeggen dat ik er blindelings mijn weg kan vinden tussen de honderduizenden boeken, mocht dat nodig zijn. Overal staan ze, netjes gerangschikt per onderwerp of auteur. Op die manier kan ik jaarlijks een aantal shops skippen, omdat literatuur voor kinderen, poëzie en religieuze onderwerpen, mij niet onmiddellijk interesseren. Want geloof mij vrij, binnen een dag raak je nooit rond. Iets wat ik al herhaaldelijk heb mogen ondervinden.

Maar first things first, en dus rep ik mij naar Haystacks (what’s in a name?), want muziek prefereert nog steeds, en ik wil de nieuwe shop wal eens van binnenuit zien. Meer vinyl, en nog wat rekken met gewone literatuur, die hij overhield van de vorige eigenaar, en die hij nu probeert te slijten aan halve prijs. Uiteraard om de rekken nadien te kunnen opvullen met meer stapels muziek die nu nog liggen te wachten in een belendend achterkamertje. Ik browse door zijn wall of sound die helemaal opgevuld is met muziek cd’s. Wat ik er deze keer vind, zijn vooral luxe heruitgaven met extra bonus discs. ‘461 Ocean Boulevard’, ‘Band on the Run’, net als ‘McCartney 2’ behoren tot deze categorie. En uiteraard ook zeldzame dingen zoals de opnamen van Alexis Korner waarop Duffy Power zingt, daterend uit het begin van de jaren zestig. Een ‘net wat meer’ technisch boekje waarin de muziek van de Beatles wordt ontleed.

Mijn vondst van de dag, waardoor nu al deze dag niet meer stuk te krijgen is, wordt ‘The Old Hyde’ van ‘Deborah Bonham’, en dat zelfs nadat ik vaststel dat ik de cd reeds thuis heb. Deze versie, want het is wel degelijk een andere versie, heeft een veel mooiere hoes, beter tekstboekje, en als bonus een extra live CD, waarop ik onder andere de Zeppelin cover The battle of Evermore aantref.

Uit de ‘cheap section’ neem ik verder nog drie ‘Katherine Jenkins’ expanded cd’s. Zoals gewoonlijk krijg ik de hele handel aan een afgerond prijsje. Die gast weet hoe hij aan klantenbinding moet doen. We babbelen nog wat. ‘Klopt het?’ vraag hij, ‘dat je in Holland geen cd’s meer vind?’ Nu dat lijkt er mij toch wat over, al is alles uiteraard mogelijk. Bon ze hebben het hoofdzakelijk aan zichzelf te danken door Free Record Shop massaal te omarmen. Een keten die op enkele jaren tijd de, zogenaamde detailhandel heeft kapot geconcurreerd. Lees er het boek ‘Free’ maar op na van de intussen overleden van ‘marktkramer tot tycoon’ geworden eigenaar.

Op naar ‘Addyman’s’, een zaak die binnenin zou verfraaid zijn met het interieur van een Transcarpathisch kerkje. Ik merk het niet echt. Het boek over ‘Page’ merk ik daarentegen wel onmiddellijk op, net als een ander boekje waarin elke song van ‘Zeppelin’ wordt uitgelegd. Voor de rest zie ik er voornamelijk stuff die ik er ook al eerder zag. In een paar andere shops is dit net zo. Krijgen ze te weinig aanvoer? Zijn gedrukte boeken op de terugweg? Wie zal het zeggen.

Neem nu in ‘Hay Cinema’ waar een boek staat dat handelt over ‘Guns and Roses’, ‘The band that time Forgot’. Het ironische is dat uitgerekend dit boek er al enkele jaren staat. Geen hond die er in is geinteresseerd. Browsen door de honderden cd’s levert mij enkel een in een luxedoosje verpakte jazzcollectie op die door Jazz FM werd uitgebracht ter ere van de Beat Generation. ‘Kerouac’ declameert zelf in een vijftal stukken, tussen de nummers door van Coltrane, Davis en ander kort-na-oorlogse tijdgenoten.

Wie in Hay een beetje zoekt vindt er minstens wat over watermolens, of windmolens, of over de wolindustrie in Pembroke, waar Vlamingen ooit thuis waren rond 1330.

Tussendoor wip ik binnen bij ‘Shepherds’ voor ‘a pot of tea’ en een rozijnenbroodje uit de oven.

Mijn avondwandeling is een herhaling van de avondwandeling van een jaar geleden, maar dan wel in omgekeerde richting. Het weer is precies hetzelfde als toen. ‘Mijn bank’ staat er nog steeds, en de inspiratie om te schrijven vind ik er eveneens opnieuw.

In de ‘Blue Boar’ serveren ze nog altijd de beste vegetarische ‘Glamorgan Sausages’, en smaakt een ‘pint of bitter’ nog atijd even goed.

Voor de tweede avond op rij sluit ik af, dankzij VRT.nu met de ‘oergezellige heren Zinzen en Van Cauwelaert’ die de politieke avond evalueren samen met ‘Ivan De Vadder’.

Persoonlijk ben ik hier nog niet over Brexit begonnen. Ik geef ze liever zelf de kans om er eventueel wat rond te zeggen. En dat gebeurt amper. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen, dat ze er intussen wat beschaamd over zijn geworden.

Six days in May: dag 6, woensdag, 15 mei

Een toffe babbel met Sally terwijl ik afreken. Mijn bedenking van, vorig jaar lijkt min of meer correct. ‘Ze moeten als nieuwelingen nog een en ander leren’. En dat hebben ze gedaan. De man werd naar het achterplan verbannen, en Sally, is gegroeid in de job, en het valt zelfs niet meer op dat ze amper een jaar bezig zijn in deze B&B. Ze beloofde mij dat ze de volgende keer een single room voor mij zou bewaren. En ook hier kreeg ik hetzelfde identieke ontbijt als gisteren, maar bon hier kies je de ‘onderdelen’ wel zelf. Toch waren er ooit andere tijden, toen B&B’s nog niet zo gereglementeerd waren, en veel minder op mini hotelletjes leken.

We babbelen verder over honden, links rijden, woelige baren op zee, en nog wat dingen.

Het is bij tienen wanneer ik nog even Hay inrij, naar de shop met de ijzeren varkentjes, maar die ‘bietekwiet’ ziet het blijkbaar niet zitten om al om tien uur open te maken, of misschien maakt hij zelfs niet eens open op woensdag. Wie zal het zeggen?

Te ‘Abergavenny’, parkeer ik de auto op de parking van ‘Morrisons’, de supermarkt. Mag je twee uur gratis staan. Maar opgelet, ze filmen bij het in- en uitrijden je nummerplaten, en ze beloven je een aangepaste rekening bij de minste overtreding. Ik probeer toch maar niet of ze ook toegang hebben tot de Belgische nummerplaten. Tegenwoordig kan alles via het internet, en privacy zal in deze ook wel niet gelden.

Bij de markt koop ik enkele cd’s. Eentje waarop nummers staan van o.a. de ‘Four Rockets met een jonge William Souffreau’ en ‘John Woolley en Just Born’. Moet ik daarvoor helemaal naar Abergavenny reizen?

Staat die man er toch wel opnieuw zeker, hij die bij een vorig bezoek, een rist Beatlesprentjes aanbood. Heb ik er 59 van de 60, maar miljaar, welk ontbrak er nu ook alweer? Ik bel de ‘lady of the house’, en hoop dat ze er is, en dat ze de moeite wil nemen om uit te zoeken welk nummer ik nodig heb. Ik heb geluk. Na drie keer checken blijkt het om nr 45 te gaan. Lap zit er niet bij…

‘Wacht’ zegt de man, ‘dit zal je interesseren’, en hij toont mij een origineel verzamelmapje met Beatlesprentjes. ‘75 pond, maar het is niet volledig.’

‘Luister, ik ga geen onvolledige reeks kopen, omdat ik er amper eentje nodig heb. En mogelijks zit dat er zelfs niet eens bij’.

‘Mijn probleem is dat in mijn reeks echt maar een nummer ontbreekt.’

‘Fair enough’ kucht hij, en opent het plastiek omhulsel. Hij toont mij effectief nr 45. Ik bekijk het, ook langs de achterkant, en dan spreekt hij de magische woorden: ‘you can have it for a fiver’. Het is duidelijk dat hij mij in de tang heeft, maar wat kan ik doen?

Of ik koop alles voor 75 pond, en verkoop nadien alle dubbele door voor een prijs. Maar heb ik daar echt wel de tijd voor?

Ik betaal de vijf pond. Ik gelukkig, en hij gelukkig, want 100 procent winst voor hem. De prijs van 75 zal hij wel niet verlagen, omdat er nu een prentje minder in het pakket zit.

Buiten op een bank waar ik mijn net gekocht broodje eet, wordt ik besprongen door een hondje van een wat oudere man, die naast mij heeft plaats genomen en die spontaan een en ander begint te vertellen.

Wanneer je in je eentje een stadje als Abergavenny inloopt, en je wil enige conversatie, dan volstaat het een wat opvallende t-shirt aan te trekken, zoals deze waarop enkel te lezen staat: ‘To do list’, met een streep er onder en dan ‘Nothing’ er bij. Nogal wat vrouwen en ook mannen vinden dat best leuk, en wensten vooral dat zij dat ook konden zeggen. ‘Zitten die hier dan niet voor de fun in deze overdekte markthal?’, vraag ik mij daar bij af.

Zitten zij hier echt om het zout op hun patatten te verdienen? Dat lijkt mij er toch wat over. Is dit het echte Wales, waar ook ‘Odin Copper’ toe behoort, die elke dag Keltische logo’s op t-shirts strijkt in ‘Llanberis’ bij het ‘Slatemuseum’. Iets waar de toeristen enkel het mooie van zien. Ik denk hierbij ook aan ‘mijn goede vriend’ in zijn Haystack platenwinkeltje, dat elke dag van de week open is. That’s Welsh life.

Iets wat je je kan afvragen over de meeste winkeltjes in Hay, want je mag er komen wanneer je wil, ze zijn altijd open, behalve dan die Pipo met zijn ijzeren varkentjes.

Zeven dagen op zeven in een kleine ruimte zitten met je muziek, vinylplaten mechanisch opkuisen, Af en toe een cd’tje opleggen, en wat babbelen met de bezoekers. Vooral dat laatste moet wat zin geven aan zijn bestaan, bedenk ik dan.

Vandaag al meerdere keren bedacht dat we uiteindelijk maar een leven hebben om doorheen te fietsen. En dat wil je toch niet opsouperen aan eender welke dagelijkse zich steeds maar herhalende bezigheid? Kun je in dergelijk geval thuis, want hij woont elders, nog genieten van muziek? Een eigen collectie uitbouwen? I doubt it.

Bij WHSmith’ rits ik wat tijdschriften mee, die bij ons of moeilijk te vinden zijn, of er het dubbele kosten. ‘Mojo’, ‘Blues Matters’ en ‘Shindig’ mogen mee naar huis.

Ik laat het zonnige Abergavenny, ooit bezongen door ‘Marty Wilde’, de vader van ‘Kim’, achter mij. Wat is er trouwens van die hele familie Wilde, die niet eens zo heten, geworden? De jongste ‘Ricky’, ooit een kindsterretje, die zong over zijn ‘Longhaired Lover from Liverpool’, is naar verluidt producer geworden. Is Kim getrouwd, en heeft ze nu zeven kinderen, en zestien achterkleinkinderen, en breidt ze daar kousen voor? Het was leuker in de dagen dat ze zong over ‘Cambodja’, ‘Checkered Love’ en meer.

Bijna twee uur zet ik er op, langs heerlijke binnenwegen door bosrijke en bergachtige omgevingen, eer ik ‘Cheltenham’ binnenrijd, op zoek naar het derde kerkhof tijdens deze tocht.

Onderweg tijdens de rit door het ‘Forest of Dean’ luister ik naar de in de markthal gekochte CD met Belgische garagebandjes. Al zal ‘den John’ dat mogelijks niet zo graag horen. CD’tje met de b-kant ‘The place where she lives’ van de enige Four Rockets single. Een echte ‘Kinks’ doorslag, maar wel goed. John Woolley en Just Born staan er met twee nummers op: ‘Look and you will find’, en ‘You’re Lying’, beide nummers waarop de gitaar voortreffelijk werd gehanteerd, door een bierbrouwer uit Mere, die we toen kenden als ‘Jeff Stone’.

Recht toe recht aan langs one track roads rij ik van Abergavenny richting ‘Monmouth’, de poort van Wales, en kom ik ook langs ‘Rockfield’. De naam heeft origineel niets vandoen met rock muziek. Dat kwam pas veel later, toen er in dat landelijke stukje van de wereld studio’s werden geopend, waar o.a. ‘Queen’ neerstreek om er ‘Bohemian Rhapsody’ op te nemen. Ook ‘Bad Company’ verbleef er. En de alom gekende band ‘Tal Van Anderen’.

Brian Jones 3 juli 1969

Het ‘Cheltenham Cemetery’ zat nog niet bij mijn favoriete opgeslagen plaatsen in de GPS, en dus wordt het toch wat rondrijden, al herinner ik mij van enkele jaren geleden, dat het in de buurt van ‘Oxford Road’ lag, en dat treft, want al snel verschijnen er borden langs de weg, waar nu ook het crematorium op staat aangeduid. Ik rij het kerkhof op, met de auto, dat mag hier, en parkeer mij waar ik altijd al parkeerde op amper enkele meters van diegene over wie ‘Don McLean’ in 1972 zong: ‘and moss grows fat on a rolling stone’. De rechtopstaande steen ziet er nog even onderhouden uit als vroeger. Nieuw is dat er tegenover het graf een zitbank staat, die geschonken werd door: ‘members of golden stone’. Voor de steen staan bloemen, en achter de steen ligt nog altijd de plastieken doos, met memorablilia, en een agenda, waarin ook enkele komende gebeurtenissen staan, naast hier en daar een aantekening van een bezoeker. Niet zo veel, eigenlijk, en dat zal er allicht met te maken hebben, dat jongere fans, vermoedelijk niet zo bekend zijn met waar Jones vandaan kwam. In de agenda wordt een wandeling aangekondigd einde mei, maar er staat nagenoeg niets in over 3 juli, wanneer het precies vijftig jaar geleden zal zijn dat Brian Jones zijn tranendal verliet.

Alle drie de graven die ik bezocht, herbergen mensen die het gemaakt hadden, maar uiteindelijk toch niet van het geluk proefden dat daar bij hoort. Brian Jones, de enige oprichter van de ‘Rolling Stones’, zag ‘zijn’ groep uit zijn handen glippen, wanneer ‘Jagger’ en ‘Richards’, zo nodig in de voetsporen van ‘Lennon en McCartney’ wouden treden, om songs te produceren die ‘echt’ verkochten. Iets wat Blues en Rhythm en Blues in feite nooit deed. ‘Eric Clapton’ stapte om dezelfde reden uit de ‘Yardbirds’, om het commerciële te ontvluchten, en blijven op zoek te gaan naar de pure blues. Dat had Jones ook moeten doen, maar in plaats daarvan koos hij er voor, om het dan maar ‘op zijn manier’ te beleven, en de drank en drugs er maar bij te nemen, en dat tot op het ogenblik waarop ze niet alleen zijn band, maar ook nog eens zijn lief afpakten.

Jones moet zich al afgevraagd hebben wat al die auto’s die achter hem doorrijden te betekenen hebben. Zij volgen de wegwijzers naar de nieuwe kapel en het ernaast gelegen crematorium. Het kerkje waar ooit een ceremonie voor Brian werd gehouden, wordt niet meer gebruikt. Ik liep er ooit binnen tijdens een begrafenis, meer om er naar de wc te gaan, dan om de begrafenis bij te wonen. In die wc ruimte hingen vrij grote spiegels. Het was nog in de tijd van de eerste digitale fototoestelletjes, en ik bedacht dat het wel leuk zou zijn om een foto van mijzelf te maken via die spiegels. Het woord selfie was toen nog bijlange na niet uitgevonden.

Ik moet verder langs het van mijn jeugd. Boten wachten niet. ‘Jimi Hendrix’, ‘Alvin Lee’, ‘Joe Cocker’, ‘Al Wilson’, ‘Keith Moon’, allemaal hebben ze twee dingen gemeen. Ten eerste, spelen ze nu in het grote orkest, ergens in de hemel, op gouden gitaren, en eten rijstpap met gouden lepeltjes, en ten tweede speelden ze met zijn allen op het Woodstock festival. Een festival gehouden te Bethal, omdat het niet mocht in Woodstock, en de affiches waren al gedrukt, dat helemaal uit de hand liep, en dat dankzij de film toch wereldvermaard werd. In die mate zelfs dat men nu vijftig jaar later, een nieuw festival wilde organiseren ter herinnering. Maar zie dat loopt ook al goed fout en gaat dus meer dan waarschijnlijk niet door.

Voor mij vormt het een mooie link tussen Cheltenham en dat dorpje in de buurt van ‘Oxford’, waar zich het allereerste verhaal van detective ‘Morse’ afspeelde, langs ‘Woodstock Road’. ‘Churchill’ werd er geboren op ‘Blenheim Palace’. Een doeninkske van zowaar een vierkante mijl, dat ik ooit bezocht met zoon Bram.

Vandaag stop ik in het enige echte originele Woodstock voor mijn afternoon koffie. De vermoedelijk laat open zijnde tearoom eigenaar keert niet het bordje van Open naar Closed, wanneer ik er voor de deur parkeer. Dan maar naar cafe ‘The Starr Inn’, waar een vlammende rosse mij een grote Americano serveert voor 2.50. Ik werk mijn dagboek bij.

Met lichte vertraging cirkel ik rond Oxford, voorbij het Wolvercote Cemetery. Wolvercote dat via de ‘Wolvercote tongue’ figureert in een Morse verhaal trekt mijn aandacht.

Het is intussen zes uur geworden, en tot Dover heb ik nog 150 mijl te karren. Nog een korte stop langs de M25 bij de Cobham services, waar Starbucks mij een laatste koffie schenkt, en ik een laatste maal mijn mails check.

Net op tijd, rij ik het laatste stuk A20 tussen Folkestone en Dover, waar borden mij om de haverklap vertellen dat de A20 na de M2 gesloten is. In het kielzog van een grote truck negeer ik alle borden, en rij precies op tijd, alweer als laatste de boot op. Eenzaam en alleen wordt het ‘fish en chips’ in de foodcourt, waar de kok mij vraagt, of ik toch niet tot de freight drivers behoor. Dat zou voor hem net iets makkelijker geweest zijn, want dan hoefde hij zijn potten en pannen niet eens op te warmen. Freight drivers beschikken over een eigen restaurant. Later net buiten Calais rijdt de ene na de andere vracht voerder mij voorbij. Snelle jongens zijn het, en allemaal rijden ze in witte bestelwagens uit Roemenië en Polen. Ik vraag mij af of die ook moeten voldoen aan de rust en wachttijden waaraan de ‘grote’ truckchauffeurs’ gebonden zijn.

Het is half twee, UK time, wanneer ik na 1700,3 km mijn bed opzoek. Goodnight.



Mei 2019 – dag 4 – naar Stratford en Hay

Zes dagen onderweg Posted on 02 jul, 2019 01:22

Brian meldt dat Hilary gisteren nog naar mij vroeg. Ze ligt al van bij Pasen in Cambridge in het ziekenhuis, met een longontsteking, maar zou nu eindelijk naar huis mogen.

Ik wens haar goed herstel, betaal, en start een twee-en-een-half uur lange tocht naar Stratford-Upon-Avon voor een pitstop, inclusief koffie en ‘scone met jam’ bij Bensons. Ik kan er in de buurt van B&B The Hollies twee uur gratis parkeren. Dat moet volstaan, om al kringwinkelend, een paar mij vertrouwde ‘second hand’ shops in te duiken. De scone is vers, en naar mijn gevoel met volkoren meel gemaakt. Is het om die reden dat ze bij het teruglopen nogal zwaar op mijn maag ligt? Ik merk nog net dat een mannelijke ‘lovely Rita metermaid’, in een geelgroen hesje de zijstraat inloopt waar ik de auto heb achtergelaten. Een kwartier te laat zijnde zit dit precies niet echt goed. Oef, hij controleert eerst de andere kant van deze straat, waar je langs beide kanten mag parkeren. Die enkele foto’s die ik maakte bij het Shakespeare theater zorgden voor mijn vertraging.

Een dik half uur heb ik nodig om naar Tanworth-in-Arden te rijden. In de praktijk iets langer, omdat ik even een stuk snelweg niet oprijdt, vanwege een aanschuivende file, daarbij een ‘wegen-onderhoud-camion’ volg, met de redenering: die zal het wel weten. En dat lukte nog ook. De maag is wat tot rust gekomen, na wat zonnen op de bank tegenover café de Bell, bij de kerk in Tanworth. Dit is een plaats waar ik enkele jaren geleden nooit raakte, vanwege mijn toenmalige Mio gps die mij daar echt niet wou heen sturen.

Elke rechtgeaarde muziekliefhebber snapt al lang wat ik hier te zoeken heb. Onder een weelderige boom ligt de veel te vroeg gestorven Nick Drake, en intussen ook zijn moeder. Er staat een bord bij het graf waarop gevraagd wordt om dit niet te ontsieren door er allerhande prullaria achter te laten. Toch ligt er voor de vrij eenvoudige rechtopstaande steen, een briefje en wat beschilderde keien. De man heeft amper drie platen gemaakt, heeft tijdens zijn leven nooit echt succes gekend, en is toch wat vreemd aan zijn einde gekomen. De enige reden dat zijn platen blijven verkopen is uiteraard omdat ze nog verkrijgbaar blijven, en daar heeft zijn toenmalige manager voor gezorgd. Uiteindelijk was het zowat het enige wat hij nog kon doen. Drake was een gevoelsmens, die het niet kon verkroppen, dat wanneer hij speelde er mensen achter in de zaal pinten stonden te drinken, en niet luisterden. Hij was een muzikant, en geen entertainer, maar dat hoorde er nu eenmaal bij. Zijn laatste rustplaats is een aanrader voor wie in een rustig dorp, zich wat zen wil voelen, op een zeer aangenaam en vooral groen bomenrijk kerkhof.

Maar ik moet verder, wil ik ook in Rushock nog het kerkhof halen, waar alles nog duizend keer stiller en rustiger is. John Henry ligt daar onder een grote spar. In het kerkje kan je er je eer betuigen en je naam in een boek schrijven. Iets wat nog wekelijks meerdere mensen ook doen. Ze komen naar dit kerkje op de heuvel, gereden langs ‘one track roads’ smalle met hagen afgezoomde wegen. En ze komen uit Japan, Zweden, Amerika, België. Ze komen echt van overal ter wereld, om er de beste drummer die de wereld ooit kende te groeten.

Ik loop het hekje door, samen met nog een gast met een fototoestel, die duidelijk ook direct weet welke richting hij uit moet stappen. Ik laat hem maar eerst een positie in nemen, maar dat zit niet goed, want op dit uur zit de zon compleet verkeerd. Ik vraag terloops of hij hier wel meer is geweest. Blijkt dat hij fotografie studeert, en elke maand krijgen ze daar een opdracht. Deze keer is het thema songtitels van Queen. Ik kijk waarschijnlijk net verbaasd genoeg, want hij gaat verder: ‘ik koos als titel: Only the good die young’. Dus toch een fan. Op mijn vraag of hij ook weet waar John Bonhams broer ligt begraven moet hij ontkennend antwoorden, al denkt hij dat het ergens in Redditch moet zijn, want daar woonden ze ooit. In Redditch bezochten we in 2017 tijdens de TIMS Midtour nog de naaldenfabriek waar ooit quasi alle kopspelden van de wereld werden gemaakt. Wie er een job had kon er van op aan dat hij of zij niet al te oud werd.

Aan de achterkant van de grafsteen staan opnieuw massa’s drumsticks opgesteld. Het lijkt wel alsof nogal wat bezoekers drumsticks meebrengen wanneer ze naar hier komen. Vooraan deze keer geen cd’tjes en dergelijke maar drie heuse grote cymbalen, waarop je onder andere Zoso en Coda kan lezen.

Ik loop, het kerkje binnen, waar de klink van de binnendeur is verdween, maar je de deur toch openkrijgt, mits je wat morrelt aan het slot. Het memoriam boekje ligt er nog steeds. Al is het sinds ik de laatste keer langskwam een nieuw exemplaar. Iemand houdt dat vermoedelijk bij. Deborah?

Bijna twee uur later kom ik aan te Hay. Ik wordt er hartelijk ontvangen en heb zelfs nog de keuze uit twee kamers. Tijdens mijn avondwandelingetje door Hay stel ik vast dat het kasteel compleet in de stijgers staat. Eindelijk wordt er dus gerestaureerd. Haystack Records is inderdaad verhuisd naar een net wat grotere ruimte twee ‘sheds’ verderop. De eigenaar heeft in dit nieuwe pand nog amper een uitstalraam. Enkel een klein venstertje. De toegang bevindt zich achter een grote poort, die overdag vermoedelijk openstaat. Ik wandel langs Addyman’s, waar ze altijd over een grote voorraad muziekboeken beschikken. Er ligt een Jimmy Page voor het venster. Hopelijk vind ik dat hier morgen nog terug. Kortom ik heb alweer een doel om voor te leven. Ik sluit af in de Blue Boar bij een koffie.



Mei 2019 – Molenweekend (2)

Zes dagen onderweg Posted on 27 jun, 2019 18:45

Six days on the road – Molendag twee.

Vroeger kon je deze dag bestempelen als ‘de molendag’. Dat was vooraleer ze de uitbreiding naar een weekend hebben ingevoerd. Ik vraag mij wel eens af of dit wel een wijs besluit is geweest, aangezien heel wat molens nu de keuze maken, of open op zaterdag, of open op zondag, en zoals al eerder opgemerkt dikwijls amper een paar uurtjes.

De ochtend belooft goeds. Een zonnige start van bij het begin. In de dorpen Swafham, zie je aan elke zijde van de straat pal tegenover elkaar twee windmolens, al zullen de ‘locals’ die ene niet meer meetellen. Hij heeft dan nog wel zijn gevlucht, maar hij ziet er vooral geconverteerd uit tot woning. Ooit had ik hier nog een babbel met de eigenaresse, en die zag restauratie toch niet meer zitten meen ik mij te herinneren. De molen aan de overkant die wel nog maalt, wat ik ooit zelf kon vaststellen, zou vandaag open zijn tussen twee en vier. Nationale molendagen zijn dus ook hier voor sommige eigenaars een echt ‘moetje’. De lucht oogt op dit vroege uur, amper na tien, al direct goed. Mooie ‘witte weerswolken’ zoals Constable, of een andere landschapschilder ze ooit ook moet hebben gezien. Enkel de grote watertoren vlak bij de molen stoort. Na een korte fotoshoot rij ik de weg terug, richting Newmarket om van daaruit Suffolk in te duikelen. Voorbij Bury-Sint-Edmonds, richting Diss rij je zo het molenland in. Het rondpunt bij Bury neem ik de laatste jaren uiterst voorzichtig, zeker sedert ik er ooit in een Kate Perry’s ‘I kissed a girl’ situatie terechtkwam. De kus gaf ik niet rechtstreeks aan de wonderschone twintiger waar ik kennis mee maakte maar wel aan haar BMW. Het was nog in de tijd dat GPS bestond uit een atlas, die je naast je had liggen op de passagiersstoel, en waar je voortdurend zat in te turen. ‘Oeps, net te laat’, dacht ik toen, en ik maakte nog een rondje op de rotonde, maar dat zinde die meid niet, en met haar snel Duits vehikel schoot ze mij toch nog voorbij, of althans probeerde ze mij voor te zijn. Er lagen wat onderdelen van bumpers op de weg, en zij die nog nooit een Belgisch aanrijdingsformulier had gezien, kon enkel stamelen ‘what shall we do’. Ze had een internetadres bij van haar verzekeringsmaatschappij en daar moesten we het mee doen. Enfin, bon het is allemaal nadien nog goed gekomen, en lang nadat mijn omniumkar was opgelapt zag ik nog wel iets voorbijkomen van de verzekeringsmaatschappij waarop haar naam stond, en daarmee was de kous af.

Ik mag mij gelukkig prijzen met meer dan 40.000 (de wereld rond) kilometers die ik intussen bij elkaar heb gereden hier in Brexitland. En dat zonder verdere kleerscheuren. Er zijn er die in een mensenleven niet eens zoveel kilometers onder de wielen krijgen.

Maar wij Vlamingen zouden Bury-Saint-Edmunds van iets helemaal anders moeten kennen In werkelijkheid is dat echter niet zo. Geef toe: wie kent het boek ‘A dog of Flanders’? En toch was het een schrijfster uit Bury die meer dan honderd jaar geleden Antwerpen en omgeving bezocht. Vermoedelijk kwam ze ook te Hoboken waar ze haar verhaal situeerde. Het verhaal van een arme weesjongen die bevriend is met de jonge molenaarsdochter, Bij ons is het verhaal bekend als ‘Nello & Patrache’. Er bestaat zelfs een Suske & Wiske versie van. ‘Nello’ is de weesjongen en ‘Patrache’ de trekhond van de molenaar. Om het verhaal wat in te korten geef ik het einde mee: de weesjongen sterft aan de gesloten poort van de kathedraal, waar hij hoopte een schilderij van Rubens te kunnen bewonderen.

Een niet aantal te tellen Japanners zakt elk jaar af naar Hoboken om daar, geen molen meer te zien, maar een klein standbeeldje van Nello en Patrache. Alle kinderen in Japan kennen het verhaal, want het zit er in elke schoolbibliotheek van de lagere scholen. Zelfs bij ons verscheen er een studie over dit verhaal. Het werd al een paar keer verfilmd, o.a. door Amerikanen als ‘A dog of Flanders’.

Waarom halen we de Japanners niet naar de molen van Erpe-Mere, die er wel nog staat, uit een vroegere Aalsterse praterij afkomstig is, en niet eens zo ver gelegen is van de Aalsterse (onafgewerkte) ‘kathedraal’ waar een schilderij van Rubens hangt…. Ik vraag het mij af?

Bij de molen van Bardwell valt altijd wat te beleven. Vandaag staat er een gepensioneerde man met een collectie op schaal gebouwde grijze oorlogsboten. Vorig jaar was het een andere met een collectie miniatuur stoommachines. In de tuin zitten wat dames te spinnen in het ochtendzonnetje, en in de molen, waarvan de restauratie, of beter het klein onderhoud, amper vordert mag je enkel binnen op de benedenvloer en op de steenzolder. Al was dat enkele jaren geleden nog wel anders. Ik vermoed gebrek aan gidsen, want het was hier dat je op elk verdiep begeleidt werd door een vrijwilliger, die snel achter je het trapgat dicht legde. Ooit sprak een van, die mannen om eventueel beneden schermpjes te zetten zodat je dan bijv. als gehandicapte niet eens naar boven hoefde te gaan. Brood en gebak wordt er in het winkeltje nog steeds verkocht. Boven herinnert een oud aanplakbiljet mij aan ‘the streets of London’.

In Pakenham betaal ik mijn twee pond voor een parkeerplaats in de achtergelegen boomgaard, ontvang mijn polsbandje en verken het terrein en de watermolen. Direct wordt ik aangeklampt door iemand van ‘Naturepoint’, al heet dat hier enigszins anders, en krijg ik een aantal foto’s voorgeschoteld van vogels waarvan ik enkel de merel herken. Ook de bijhorende eieren en nesten vormen een probleem. De merel is de enige uit dit gezelschap die een met klei versterkt nest bouwt. Ziezo de les natuurkunde zit er op, of toch niet helemaal, want aan de overkant van de vijver wandel ik een echt subliem stukje ‘verwilderde’ tuin in.

Op een geplastificeerd document dat ik ter inzage mag mee nemen op mijn wandeling merk ik dat dit toch doordacht is, en heel wat verder gaat dan de vlindertuintjes die ik bij ons wel eens bezoek, tijdens een van mijn fietstochtjes. Hier liggen bijvoorbeeld stukken zink in het gras, die langs de onderzijde wormen aantrekken. Zelfs een stapel rottend hout is goed om de beestjes te lokken. Dit kan ook bij ons aan de molen, en hoeft niet eens stukken van mensen te kosten, noch voor de aanleg, noch voor het onderhoud. Wij hebben in Erpe-Mere duidelijk nood aan een ontsluiting van de molensite. Zaten er maar wat groenen in de gemeenteraad denk je dan al snel. Bon er is een taak weggelegd voor de nog in te stellen molencommissie.

Ik proef wat brood gebakken van een mengeling van een tweetal oeroude graansoorten. Drink een koffie, en fotografeer een zwaan, die dekking zoekt, omdat ze die radiobestuurde boten op haar vijver echt niet ziet zitten. In de molen demonstreert men ondertussen hoe het maalproces in zijn werk gaat. De molenaar draagt een witte doktersjas. Op de bovenzolder legt een andere wat traditioneler geklede molenaar mij uit wat een ‘bolter’ is. Een soortement zeef. Juist ja dus een buil.

Na twee uur genieten van deze zonovergoten plek, rij ik naar Telnetham waar de windmolen zeker open is. Een stenen molen, zwart geteerd, waar opnieuw een team voor de molen zorgt. Ze zijn georganiseerd. Er is een film te zien in het schuurtje, de ‘shed’ zoals dat hier wordt genoemd. De motor wordt gedemonstreerd, en er worden rondleidingen gegeven. En dat allemaal voor een minuscuul ticketje van vier pond dat je eerst moet aanschaffen. Jawel, ook tijdens het molenweekend. Effe wachte…. Geloof het of niet maar ik blijf dik twee uur ter plekke, waardoor mijn programma voor het resterende deel van de dag wat in het gedrang komt. Maar dat mag. Ik sluit aan bij nog een vijftal mensen, die net als ik trouwens behoorlijk pertinente vragen stellen aan Mitch de man die de rondleiding geeft. Intussen gaat de molen zijn gangetje, al wordt er niet gemalen. En rustig is het ook niet echt, want er klopt alvast iets niet in de kap waar de metalen tanden van het vangwiel, niet helemaal sporen met het kroonwiel. Iemand van de bezoekers voorspelt miserie in de toekomst. Volgens de molenaar zit het wel mee, al is het toch de eerste keer dat het zo erg is. Draait de molen nog wel regelmatig? Blijkbaar wel. We krijgen verder uitleg zoals het hoort van boven in de molen tot helemaal beneden. Ik merk nog enkele gewichten langs de kant waarop o.a. 56 Lb staat, en dat lijkt mij een rare aanduiding. Of toch weer niet zoals blijkt, wanneer je je verplaatst naar een tijd waarin de Britten nog rekenden in ‘guineas’ en ze vijf of zes ‘stone’ wogen. Wat er mij doet aan denken dat de mijlen die onder mijn auto doorschuiven wel voor eeuwig en drie dagen mijlen zullen blijven, en ponden, binnenkort zullen verhandeld worden, aan quasi dezelfde koers als de euro. Of niet soms? Gaan de Europese verkiezingen hier ter plekke veel wijzigen? Ik denk het niet.

Interessant detail, beneden aan de uitloop van de meelgoot is een sterke magneet bevestigd. Dit zou hier een verplichting zijn, om alle overtollige metalen uit het meel te verwijderen. Daar heb ik persoonlijk nog nooit van gehoord, maar het lijkt als tip toch wel aanvaardbaar. In de film in het schuurtje maak je de ontmanteling mee van wat toen toch een molen in verre staat van ontbinding was, en uiteraard zie je er ook de volledige heropbouw.

Stowmarket en Hinxton lukken niet meer. Toch rij ik terug via Stowmarket, om te ontdekken waar het museum voor het East-Angelian Life zich bevind. Te onthouden: pal in het centrum tegenover de Asda superstore.

Burwell staat ook dit jaar voor mijn zondagavond veggy burger en chips, gekocht bij een Turkse kebabman. Ook in Engeland zijn de chips qua uiterlijk mee geëvolueerd. Wegspoelen in de Five Bells doe ik met een lokale ‘pint of bitter’. Een lokale pub, waar gesocialiseerd wordt door de lokale bevolking, en er soms al eentje te diep in het glas kijkt.

Ik stippel later op de avond enkel nog de verderzetting van de tocht uit, bij een vrt.nu blik op de Zevende Dag.

Deze ochtend voor het vertrek boek ik een vervolg b&b in Hay-on-Wey. ‘The Firs’ hebben gelukkig nog een kamer. B&B’s zoeken via internet, is een heel gedoe geworden, omdat allerlei sites je van alles en nog wat aanbevelen. Klik je dan door dan zit je steevast met een hogere prijs opgescheept. Ik begin zo een vermoeden te krijgen dat door tussenkomsten en aanbevelingen van die sites, ook de prijzen de lucht zijn ingeschoten. Op amper een paar jaar tijd betaal je 25 procent meer, al wordt dat enigszins gecompenseerd, door de vrije val van het pond tijdens de laatste paar jaar.

Morgen meer weer…. Stratford aan de einder.



Mei 2019 – molenweekend

Zes dagen onderweg Posted on 25 jun, 2019 19:39

Zes dagen onderweg…. dag twee. Molens rond Cambridge.

Voortreffelijk ontbijt, en met Brian kout ik wat over molens in de buurt. Hij is mijn vorige passages nog niet vergeten. Via mijn wifi gekoppelde pc, stippel ik een reisplan uit voor vandaag. Tussendoor regel ik nog een en ander via email voor onze uitstap van komende zaterdag.

De molen van Burwell opent pas na 11 uur, en daar wacht ik niet op. Korte stop voor een fotoshoot volstaat. In het straatje wat verder loop ik het tweedehands boeken shopje binnen. Voor het venster staat een mooi tekening van de kap van een molen uit de buurt. “Sorry, maar die verkopen we niet, die is enkel voor display bestemd.” Dat weet ik dus ook alweer.

Wicken is de volgende voorziene stop, en ik bots er al onmiddellijk op Graham, die een of ander stuk hout op maat zaagt. Onvoorstelbaar wat een team hier bezig is. Ik begroet de hele bende, en loop de molen in. Graham offreert thee, waarna we het allerheiligste der heiligen binnentreden. Achter in hun werkplaats staat een tafeltje, wordt de ketel opgezet, en liggen wat koekjes klaar. Wanneer ik rondkijk waar ik mij zowaar in een mini werkplaats van een of andere molenmaker.

Photo: Dave inspect!ng the cap.
Ze hebben letterlijk alles, om eender wat bij te schaven, te herstellen of te vervangen. Buiten liggen zelfs al onderdelen te wachten voor een ander molentje in de buurt. Binnenkort beschikken ze hier dus in de omgeving naast Wicken Fen over een tweede waterpomp molentje.

Later vraag ik hen hoe ik best bij de smokmolen van Soham kom, want vorig jaar had ik die namelijk gerateerd, en zag ik Soham zelfs meerdere keren onder mijn wielen doorschuiven. Deze keer rij ik quasi direct naar de Shadesmill aan de uitkant van de gemeente. Ik herinner mij nog dat iemand met Indische roots die molen enkele jaren geleden kocht en mij toen vertelde, wat hij allemaal ging doen. We zijn nu enkele jaren verder, en naar mijn gevoel is er buiten het plaatsen van een tv-scherm en wat fotomateriaal echt niet zo veel veranderd. De wieken liggen nog altijd onder een zeil te wachten om opnieuw gemonteerd te worden. Eerst moet wel de scheefgezakte kap gelicht worden met een ‘cherrypicker’ (?) vertelt men mij, en moet een en ander vernieuwd worden. Ik heb toch wel enige bedenkingen bij deze operatie, en zie het nog niet zo voor mij. Zoals op zovele plaatsen heeft ook hier de wachttijd vooral te maken met prioritaire gelduitgaven. Ik merk ook dat er rond het woonhuis op het terrein nog wat onkruid moet gewied, en dat in de boomgaard het gras zeer recent werd afgereden.

Volgens Graham is Haddenham een hopeloos geval geworden. En dat klopt wanneer ik even de auto uitwip, en de ernaast gelegen boomgaard inloop voor een fotoshoot. De wieken die in de achtertuin al meerdere jaren liggen te wachten, zijn intussen half verrot, en haast verdwenen onder het overwoekerende gras. Tussen de kap en de bovenring komen hier en daar takken piepen. Herinnert mij aan de achtkant te Aalst, waar ook jaren bomen uitgroeiden. Maar kijk, ook daar kwam alles goed. Hier ligt het vermoedelijk allemaal wat moeilijker, want de molen is privébezit. Nochtans leek het paar dat mij een tiental jaar gemeden een rondleiding gaf in die dagen “redelijk” entoesiast.

Nog op het programma: Lode watermill in Anglesey Abbey, en windmolens in Impington en Fullbourn. Toch besluit ik om eerste een ’tea for one’ met scone en jam te nuttigen in de tearoom bij de watermolen te Houghton. Alweer een National Trust molen.

Het wordt, ‘Tea en scone met enkel jam, en neen ik hoef die clotted cream echt niet,’ voor net iets minder dan vijf pond. De confituur zit in een klein glazen mini bokaaltje, met op het dekseltje National Trust. Vandaar dat ze er 0,85 euro voor vragen. De National Trust mag dan al half de UK bezitten voor niks kom je er niet in. Ook niet in de molen. En omdat ik die vroeger al enkele keren bezocht blijft het deze keer bij wat foto’s maken. Ik maak een korte wandeling naar ‘mijn’ bank bij het sluiswerk, waar een zwaan rond dobbert, en een eend met haar kroost voedsel zoekt op het bijeengedreven groen in de hoek van de vijver. Af en toe duikt een ijsvogeltje samen met wat andere gevleugelden neer in de buurt van de eendjes. Het is er rustig en het is er mooi. Hier wordt je helemaal zen. Hier kan je besluiten nemen, die eenmaal thuis toch weer zullen verwateren. Dat besef ik nu al.

Tijd om aan meer molens te denken, en dus gaat het richting Impington, waar ik net na vier uur aankom, en het hek al werd gesloten. Ik zie nog wat beweging in de molen, waar ze waarschijnlijk al voorbereidingen treffen voor morgen. Dan maar een wat verlate lunchpauze, en richting Willingham, waar ze naar goede gewoonte niet op het uur letten. De deur van de molen staat open, en beneden is er warempel grondig gekuist. Zelfs de steenzolder ligt er al wat beter bij dan vroeger, maar ook hier is de toegang naar de hoger gelegen zolders gesloten. Ik zie weinig vrijwillig molenaars, en dus babbel ik maar wat met enkele radioamateurs die in hun tentje de ether afspeuren naar andere gelijkgestemden. In België zitten er morgen radioamateurs bij de Kruiskoutermolen vertel ik hen. Later verneem ik, via facebook, dat er ook bij de Windekemolen zullen aanwezig zijn. ‘En waarom doen jullie dit nog in deze tijd van Skype en Internet?’ Duidelijk blijkt uit de man zijn antwoord dat het voor hen een ‘sociale’ bezigheid is. ‘En zitten jullie enkel bij molens’ vis ik nog, want daar heb ik ze al meer zien opereren, zelfs in Denemarken, jaren geleden. ‘Nope man’, is het antwoord, ‘ook bij vuurtorens, of andere gelegenheden die zich voordoen’. ‘Alles is goed om thuis weg te zijn’ lacht de man nog. Tja zo zijn er dus nog wel meer hobbies te bedenken.

Maar ook zij zullen vroeg of laat toch iets moeten ondernemen in het kader van opvolging, want echt jonge gastjes heb ik niet gezien.

In het zaaltje links in de tearoom liggen de gebruikelijke fotoboeken, tijdschriften en andere oude uitgaven ter inzage. Blijkbaar lezen ze hier enkel het blad van SPAB, de organisator van het molenweekend. SPAB is de Society for Protection of Ancient Buildings. Deze vereniging heeft een afzonderlijk sectie die zich met molens bezighoudt. Het is intussen te laat geworden voor nog meer molens. Cambridge wacht. De auto voert mij direct naar Jesus Lane, waar ik net wat te vroeg arriveer bij een parkeermeter. Ik wandel richting rivier, althans dat denk ik toch, maar voor de zoveelste keer hier in Cambridge sla ik een verkeerde straat in en arriveer ik er uiteindelijk wel via een omweg, die mij gelukkig langs een boekenwinkel en Fopp’s, een platenzaak, leidt. Er ligt materiaal van Roy Harper, en dat is niet zo voor de hand liggend, voor een artiest die altijd ‘tegendraadse’ platen heeft opgenomen, en derhalve voor bijna geen meter verkocht. Het is pas nadat hij zijn eigen catalogus de laatste jaren zelf in handen nam, dat er weer hier en daar wat opduikt. Stormcock, de plaat heette in Amerika zelfs anders, om ‘obvious reasons’ waarop ene S. Flavius meespeelde, die ook al om ‘obvious reasons’ niet zijn eigen naam, Jimmy Page’ gebruikte.

En dan Lifemask met het uitgesponnen nummer The Lord’s Prayer. Goede vangst. Bij de rivier wordt al stevig geterrast, maar daarvoor lijkt het mij net nog wat te koud. Liever een voortreffelijke pizza bij Garfunkel’s. Een zaak die al jaren geleden van naam veranderde en nu een Italiaans restaurant is geworden, waar ze pizza’s uit Calabria met Merlot wijn uit Italië serveren. Voortreffelijke afsluiter van deze avond. Via wifi en hun facebookpagina kan ik er op Internet. Nu nog krijg ik dagelijks mails met aanbiedingen van dit restaurant. Zo werkt de wereld de dag van vandaag.



Mei 2019 – dag 1 – naar Burwell

Zes dagen onderweg Posted on 23 jun, 2019 17:26

Six days on the road: dag 1 naar Burwell.

Voorbij Veurne breekt een flauw zonnetje door, maar dat is al meer dan voldoende om de druilerige ochtendregen snel te doen vergeten. Het is genieten buiten op het achterdek van de ‘Spirit of Britain’, de veerboot van P&O. Een zacht windje, kleine lichte golfjes het vernoemen amper waard.

Kortom de aanzet van deze trip ligt al goed en wel achter mij. Gelukkig zonder al te veel stress, en dat mag ook wel, na de tientallen keren dat ik richting ‘Brexit country’ ben gereisd. Tijd zat bij het vertrek thuis, en dan neem je af en toe al eens een foute beslissing zoals deze ochtend. Foute beslissing om niet de E40 te nemen in Erpe-Mere, waar je doorgaans zo op de snelweg zit. Ik koos er voor om rustig door de velden richting Wetteren te cruisen. Vanaf het kruispunt met de Grote Steenweg, stond alle verkeer stil. En dat tot bij Mariagaard. Het leek wel alsof iedereen deze ochtend hier Iets had verloren. Iets te snel besliste ik daarna dan weer om rechts de steenweg op te rijden richting Melle en de R4. Oh wee, dat was dus van de drop in de regen, want mijn tocht door Melle, verliep alles behalve snel. Vanaf vandaag ben ik voorstander van het rekeningrijden, althans voor al diegenen die het nodig vinden om tussen halfacht en halfnegen hun kinderen te gaan droppen bij een schoolpoort. Mariagaard en het College van Melle, mogen voor mij als proefproject gekozen worden. Zijn we tenminste daar al van probleem verlost. Welke politieker heeft dit op zijn agenda staan? Ik stem er voor, of ik overweeg het toch. Voor alle duidelijkheid rekeningrijden moeten ze niet gaan invoeren in heel Vlaanderen. Maar minimaal de jeugd uit de auto halen, daar ben ik voor. Wat hebben zij meer nodig dan een fiets? Net als wij die nodig hadden ‘in onzen tijd’. Uit mijn Arheneumtijd herinner ik mij enkel de Renteria’s die door hun al wat oudere, en vermoedelijk bezorgde vader, naar school werden gereden, in een Mercedes die er al een leven had opzitten.

Bijna twintig voor negen wanneer ik uiteindelijk bij Gent de R4 verlaat en inschuif op de E40. Nog wat wegwerkzaamheden bij Jabbeke, waar we over een afstand van 4,5 km op een vak worden gedreven. Het wordt dus doorkarren, maar precies om twaalf na tien volg ik de alweer nieuw aangelegde toegangswegen naar de incheck in de haven van Calais. Mijn GPS heeft hier duidelijk nog geen weet van. We beleven op dit ogenblik de eerste maanden van de na-Brexit periode. Tenminste mocht op 29 maart Brexit een feit geworden zijn, maar dat werd het dus niet.

In elk geval merk ik sinds mijn passage van augustus vorig jaar amper verschil. Behalve dan dat er op mijn online geregistreerd boekingsformulier staat, dat je 40 minuten voor het vertrek moet aanwezig zijn op de terminal, daar waar dit vroeger dertig minuten was. Of het zou moeten zijn dat ze het drie op drie meter tellende gebouwtje van de franse douane beschouwen als facilitaire infrastructuur om extra controles uit te voeren. U raadt het al, ik mocht het kleine kantoortje ook langs binnen bekijken. Iedere andere bestuurder mocht direct door richting Britse douane. Ik mocht de koffer openmaken, en mijn reiskoffer binnen dat kantoortje over een lopende band rollen. Wat zoeken die mannen eigenlijk? De man in de hoek moet zeker mijn zakmes-reisset met aan de zijkant ‘een lepel en vork voor noodgevallen’ hebben zien voorbijkomen, of zouden die niet uit metaal gemaakt zijn? Als reiziger moet je voorbereid zijn om in een noodgeval wanneer de honger te sterk mocht worden, en je te velde bent gestrand, je tenminste niet met je handen in een of anderen noodlepot hoeft te zitten. En vergeet niet dat je in een ‘stiff upperlip’ land, eet met mes en vork. Toch?

Bon, ik mag dus naar de check-in waar men mij ‘lane 105’ adviseert, en meldt dat ‘loading has begun’. Ik sta weer eens als laatste auto in de rij op de boot.

Vertrokken voor alweer een aflevering van ‘Six days on the road’.

Het uitrijden van de Dover terminal verloopt zonder kleerscheuren en tussenkomsten van ook maar enige douanier.

Net als vorig jaar rij ik richting Chillenden, de blauwe lucht met wit bezaaide mooi-weer wolken tegemoet. Onmiddellijk keert dat gevoel van thuiskomen weer, wanneer ik onder een bladerdak over de op de grond geprojecteerde zonnestralen rij. Iets wat ik een jaar eerder ook al ervoer. Het dorpskerkje van Chillenden, met kleine houten toren lijkt enigszins op de lokale kerkjes in Transcarpathië. Tijd voor een eerste fotostop. Wie weet doe ik er Olena nog een plezier mee. Wat verderop staat de windmolen nog precies in dezelfde toestand als vorig jaar. De trap goed vast geklonken in de grond, een zitbank binnen de draaicirkel van het kruiwerk. Hier is duidelijk amper iemand geweest. Ik word bekeken door wat moderne boeren die op een aanpalend veld hun mestoverschotten dumpen. Voor alle zekerheid schiet ik enkele situatiefoto’s, voor een artikel dat er ooit wel moet komen, en waar deze molen, die een tiental jaar geleden omwaaide zeker in zal voorkomen. Al was het maar omdat de restauratie vrij onoordeelkundig werd uitgevoerd, door iemand van buiten het molenmakers ambt.

Half een, wat betekent dat het over de plas al halftwee is, en dus lunchtijd. Dit jaar geen geel golvende velden met koolzaad. Rond de molen schiet opnieuw koren uit de grond.

Sandwich en Sarre laat ik deze keer links liggen, want ik ben er quasi zeker van dat de toestand er allicht niet gewijzigd zal zijn. Twee uurtjes bollen naar Finchingfield in Essex, waar een molen staat die quasi nooit open is. Daar wil ik nog een koffie drinken in de Fox on the Green. Het zicht op het centrale stuk groen, met ernaast liggend brugje zal de ‘Tour de France’ liefhebber vast bekend voorkomen. Enkele jaren geleden was dit nog het startpunt van de toer.

Onderweg valt het op, hoe groen de dorpen in Essex nog zijn. Oude lindebomen sieren straten en pleinen. Hier geen dorpspleinen in beton, met fonteinen. Respect voor eeuwenoude smalle bruggetjes over kleine waterlopen, waar de ene automobilist zonder morren voorrang geeft aan een andere automobilist. Het verhaal van de twee koppige ezels is hier vermoedelijk onbekend.

Het doet mij o zo na, denken, aan het album van ‘The Kinks’ ‘The Village Green Preservation Society’. Een uit 1968 daterende plaat die nog steeds actueel is, en o zo Brits klinkt.

De tas koffie is op en het is intussen vijf uur geworden. Met nog een uur karren voor de boeg, zit de kans er nog in dat ik onderweg toch nog bij een molen kan halt houden.

Na wat inkopen bij Tesco’s ga ik op zoek naar de ronde stenen windmolen te Thaxted. Het wordt wat zoeken. Ik mag de molen dan wel zien staan, er geraken met de auto is nog iets anders. En net nu begint het ook nog licht te motregenen. Na enkele straten in en uitgereden te zijn, besef ik dat je er enkel via een smal wegeltje achter de kerk kan bijkomen. Bij de molen staat een radioantenne opgesteld. Hier zal dus tijdens het weekend zeker beweging zijn. Ik schiet wat plaatjes en plaats de molen op mijn verlanglijstje voor zondag.

B&B The Meadow House

Omstreeks negentien uur twintig arriveer ik in Burwell bij de ‘Meadow house’ waar ik drie nachten boekte, en de rest van de avond blijf. Uitrusten bij VRT.nu en nadenken over wat ik de komende twee dagen zal bezoeken. Ik wordt ontvangen door een wat ‘sloddervos-achtig’ uitziend persoon, die mij direct de familieroom aanbiedt. Daar heb ik ooit nog nachten in doorgebracht. Een ruime kamer, met een tweepersoonsbed en daarnaast nog twee eenpersoonsbedden. Het andere comfort beperkt zich tot een douche, en een rek om kleren op te hangen. De strijkplank heb ik niet nodig. Op de tv kan je door nagenoeg 100 kanalen zappen, maar zoals we weten leerde Springsteen ons al eerder, ‘57 channels and nothing on’. Brian de eigenaar zou pas later thuiskomen en Hilary zijn vrouw blijkt ergens te Cambridge te zijn opgenomen in een ziekenhuis.

Burwell, is een groot dorp gelegen langs een hoofdbaan, met een aantal zijstraten. Een echt dorpsplein is er amper. De kerk staat langs de weg. Wat verder op een klein pleintje bij een oudstrijder-gemeenschapshuis verkoopt een nieuwe Brit alle afgeleiden van pita en burgers. Zelfs chips heeft hij, maar geen fish & chips. In Burwell staat een stenen molen met ernaast een klein museum. Verder tref je hier en daar nog een shop. Wanneer je via de Swafham’s (dit zijn dorpen met namen als Swafham Prior en Swafham Bulbeck) Burwell binnenrijdt zie je na een flauwe bocht aan je rechterkant, wat van de straat afgelegen, de Meadowshouse. Een nieuwbouw uit de jaren tachtig, met uitbreiding, waar zeker een twintigtal mensen onderdak kunnen vinden in de verschillende kamers die dit guesthouse rijk is. Door zijn rustige ligging, een eind van Cambridge is dit een goede uitvalsbasis voor wie de streek ten noordoosten van Cambridge wil bezoeken. Je zit vlakbij Ely, de kathedraal stad, en niet zo ver van Newmarket. De nationale wegen die hier in de buurt liggen, en o.a. Felixstowe met het westen en de Midlands verbinden zijn van het type snelweg, en dus uiterst comfortabel. Burwell vormt de ideale basis om van daaruit wat zuidelijker Essex in te duiken, of oost- en noord-oostwaarts Suffolk en Norfolk te verkennen. Ik exploreerde van hieruit ooit het noord-westen tot en met Lincolnshire, maar eigenlijk kan je daarvoor beter een eind noordelijker bivakkeren. En och ja ze hebben ook nog enkele cafés, waaronder de Five Bells, maar daarover later meer.

Goodnight.



Portugal: de weg terug….

Zes dagen onderweg Posted on 27 aug, 2017 19:46

Begin van drie dagen ‘Extra vacance….’

Al zou dit stukje natuurlijk ook ‘in den aap gelogeerd’ kunnen heten, want drie dagen extra vakantie die moet je verdienen. Toch?

Vrijdagavond, de dag na mijn Portugees avontuur, en een hele dag reizen door Baskenland besliste een halve meter riem in mijn auto dat ik aan wat extra rust toe was. ‘Le couroir’, zoals dat hier in een Peugeot garage gebruikelijk genoemd wordt was namelijk stuk. Gelukkig bleek na alweer een tussenkomst van mijn VAB-vriendjes dat er een Peugeotgarage in de buurt was en dat die op zaterdagvoormiddag open zou zijn. Alhoewel open: ‘Non monsieur le Samedi c’est seulement pour changer les, pneus.’ Zo dat wist ik dus nu ook. Toch beloofden ze mij om de volgende maandagvoormiddag ’tegen betaling’ een diagnose te stellen. Ik kon ze daarmee al vast helpen door te stellen dat die bewuste riem ‘grat’ af was…. Ik kan mij overigens ook niet herinneren dat die ooit werd vervangen. Een levensduur van 175.000 km is mooi en goed, maar misschien toch in de toekomst…. Berouw komt na de zonde.

Een verzekering met assistentie is wat je in dergelijk geval nodig hebt. In een eerste aanbod willen ze je dan repatriëren, wat best leuk is en zowat drie volle weken later wordt je auto aan huis geleverd. Ja hallo, ander voorstel graag….. Blijkt dat om een auto naar huis te brengen er een systeem bestaat waarmee ze de auto van depot naar depot transporteren. Zeg maar beetje bij beetje of beter eindje na eindje, hopelijk in noordelijke richting tot thuis. Nee dus, mij niet gezien.

Het is vrijdagavond, en we zien morgen wel verder.

Cap Breton lekker lui aanneemt strand.….

Twee dagen heb ik kunnen spenderen in Cap Breton, een stadje dat mij wat doet denken aan Le Touquet ook al gelegen vlakbij de Atlantische Oceaan. Cap Breton ligt wat geprangd tussen Biaritz en Bayonne. Niet zo ver van de Spaanse grens, amper drie payages verder dan het Spaanse San Sebastián, stel ik vast wanneer ik mijn bonnetjes nog even bekijk in het hotelletje waar ik gedeponeerd werd door een vriendelijke taxibestuurder die er eerder uitzag als een Engelse butler. Zelf heb ik het niet gemerkt, maar de klanten van het hotelletje zullen wel gedacht hebben dat ik een of andere rijke luis was want wie komt er nu aanzetten in een super-de-luxe taxi (Mercedes) waarin je makkelijk met vier man een crisismeeting kon organiseren gezeten aan een vierkante tafel, en waar dan nog genoeg ruimte overbleef om er een polonaise te dansen rond de aanwezigen.

Helemaal, onder in de golf van Biskaje. Aan het strand zie je in de verte nog de Pyreneeën, die de echte grens uitmaken. Cap Breton behoort tot het Franse Baskenland. De alpinopetjes kom je hier dus nog wel meer tegen, en uiteraard ook lokale voetbalshirts in het Baskische rood-groen, die je van verre wat aan de kleuren van de Welshe draak doen denken.

Ik verblijf hier in een typisch Frans hotelletje. Al is typisch mij eigenlijk onbekend. Tot nu toe was het enkel nodig even op te letten bij het bestellen van koffie, tenminste indien je niet wil je opgezadeld zitten met een tas ter grote van een vingerhoed.

En raar maar waar elke avond was er voetbal op TV, wat uiteraard een gevolg was van de aan gang zijnde kampioenschappen . Frankrijk tegen de Roemenen. Florin, onze Roemeense molencollega, kon er enkele dagen geleden niet van zwijgen. Een paar gasten knoopten al spontaan babbels aan met mij vanwege het T-shirt waarin ik rondkuierde. Ik had het kunnen weten. Een rood t-shirt met achterop een kanjer van een logo, dat bestond uit een cirkel met daarin een dansende duivel. En toch hebben deze t-shirts niets van doen met die bende onnozelaars, die niets beters te doen hebben dan ballen wegschoppen om er dan weer achteraan ter rennen. Sorry Rod (*), maar ‘balls are not my cup of tea’.

Ter verduidelijking: deze t-shirts werden twee jaar geleden gemaakt, voor de Amber Reünie, waar meer dan vijfhonderd oud café Amber bezoekers op afkwamen. En het rood was eenvoudigweg gekozen om de medewerkers beter te kunnen onderscheiden van het publiek. Het logo, dateert van meer dan 40 jaar geleden. Of iemand nog weet wie dat ooit heeft ontworpen, is een open vraag, en wie weet, heeft de toenmalige ontwerper het niet gejat van ergens. Led Zeppelin stond in die dagen nog hoog in de charts, bedenk ik plots, en hoe zich lieten inspireren…. Een eenvoudige Aalstenaar zou voor minder toch ook zijn hand niet omdraaien?

Music Maestro

Het is zaterdagmiddag en op het plein, bij het Casino café, niet ver van de pier, ontmoet ik een straatmuzikant die een prachtige bluesgitaar met zich torst, een tros bananen, en twee anderhalve literflessen water. Hij zegt niets, en stel zijn spullen op, en wacht op meer volk. ‘Vous êtes locale?’ probeer ik. ‘Als je bedoelt van hier, van deze wereld, deze aarde’ dan wel repliceert hij. Bon, dit is dus ‘gene gewone’. En toch, na mijn vraag naar zijn repertoire, breekt het ijs, omdat hij voelt dat ik ‘zijn business’ ken. Op zijn repertoire staan o.a. ‘Stairway to heaven’ en ‘Rock’n’Roll’ en dan weet je direct: dat schept een band. Zelfs Pink Floyd, Oasis, en meer, wisselt hij af met ‘gewone meer alledaagse’ straatmuziek van John Denver, Dire ‘Sultans of swing’ Straits, Hotel California enz…. Ik ken alle Franse zangers die hij mij toont, maar geen enkel van de nummers, op ‘Je ne regrette rien’ van Piaf na. ‘Ach Belge, mais tu dois connaisser Jean Smedt’. Om een of andere reden vertikt hij het om de naam Johnny Halliday te gebruiken, en ik meer ook dat Brel ontbreekt op zijn repertoire. De reden van mijn onkunde op dat vlak mag duidelijk zijn: zelfs de beste Franse songs worden al vanaf de jaren zeventig lang niet meer gedraaid op de radio. De man is 35 en op mijn opmerking dat hij nog niet was geboren ‘dans les années septante’ keek hij enigszins onbegrijpend. Tja Belge natuurlijk, en bij ons leerden we koeterwaals op school in plaats van Frans. In la douce france kennen ze geen septante en nonante. Hier hebben ze nooit verder leren tellen dan zestig. Soixante-quinze monsieur, en Quatre-vingts dix monsieur, enz… Jaja vier maal twintig, als het zo ook kan…..

Al bij al wil ik ‘juf Geneviève’ toch langs deze weg bedanken voor het Frans dat zij mij heeft bijgebracht, want eerlijk gezegd, alle leraars en -essen die het voor haar probeerden kwamen van een kale reis thuis. Het ging er echt niet in. En vandaag las ik Franse tijdschriften en enkele Franse boeken, in het Oud-Picardisch notabene, gevonden in een kastje bij een parkje. Besluit: nooit opgeven, Molière is echt wel te verslaan. Overigens praten met een Portugees, die geen gebenedijd ander woord kent dan Portugees, valt al bij al ook nog mee. Dit even geheel terzijde.

Maar terug naar onze straatmuzikant. Die gast zijn Engels was ook al meer dan behoorlijk.

De Fransen kunnen het dus toch, want zoals ik later hoorde voelde hij zich een echte ‘Gaulois’.

Midden in een nummer stopte hij plotseling en vroeg vriendelijk aan een best leuke vrouw om te stoppen met hem te filmen, vanwege teveel concentratieverlies. Moet blijkbaar ook kunnen. Resultaat ik heb slechts enkele zijdelings genomen shots kunnen maken, en een flard muziek opnemen, met als ‘videoclip’ de zee op de voorgrond.

Hij was duidelijk fan van mijn naamgenoot Eddie Van Halen, en hij betreurde het ten zeerste dat hij niet net als Van Halen begonnen was met gitaarspelen op zijn twee jaar. Al mag gesteld worden dat zijn 15 jaar ervaring, hij was 35, toch best te smaken viel. ‘Jawel’ vertelde hij nog ‘ik had een beroemde gitarist kunnen zijn, nu ben ik slechts de grootste straatmuzikant’. Tja een beetje zelfkennis kan uiteraard nooit kwaad. Toch een toffe peer, voor een babbel, en dat hij het meende bleek nog uit het feit dat hij de volgende dag toen er meer zon was, en ook een pak meer volk, zelfs mijn naam nog kende. Als herinnering hield ik er tijdelijk de eerstvolgende weken een stel rood verbrande scheenbenen aan over.

Zondagavond, en Cap Breton lag er uitgestorven bij. Zelfs mijn hotelletje was al dicht en serveerde zelfs geen eten meer. Gelukkig stond de eigenaar nog net binnen te telefoneren, en kon ik er in, nadat hij een ’tournaviese’ wegnam waarmee de deur werd dichtgehouden. En dat is wat ik bedoelde met zo een typisch Frans hotelletje. Ik had heel even echt in de aap kunnen gelogeerd geweest zijn…. Ware het niet dat er toch ook nog een achterdeur was, met ultramodern cijfercode slot. Maar oef, er was wat verderop nog een gezellige pizzatent open, waar ook al een TV aanstond, met juist ja, voetbal. Voetbal staat hier dezer dagen hoog op de agenda, en zelfs van de FIFA kon ik die morgen genieten. Er viel reeds een Noord-Iers slachtoffer. Voetbal is een spel, of is het meer dezer dagen. Er worden rellen verwacht in Rijsel, waar ik hopelijk morgen toch zonder problemen langs kan rijden.

Maandag. Het was wat koeler geworden, het regende zelfs een klein beetje, en ik bracht de dag door in het stadje. In een coffeeshop annex boekenwinkeltje las ik in een tijdschrift over het leven van Napoleon, en hoe lang het nog duurde na Waterloo eer de man uiteindelijk toch op Sint Helena belandde. Bij het kleine parkje stond een boekenrek, beschermd met een plastiekfront, waar je zelf boeken om kon ruilen. Een best leuke plaats om er een belangrijk deel van de dag door te brengen, en bovendien ideaal om er mijn Frans nog wat bij te spijkeren.

Zoals verwacht belde de VAB mij op met de boodschap dat ‘de baas’ van de Peugeot garage al was vertrokken naar huis, en dat ook de juffrouw aan de infobalie niet echt wist of het riempje al was gearriveerd. JIT, JIT en nog eens JIT…. Ik zou dus toch nog op dinsdag in het kringwinkeltje belanden, dat vandaag gesloten bleef, en waar ik door het venster een paar LP-bakken ontwaarde.

Wachten helpt….

Dinsdag, half drie, en mijn ‘wegenhelpers’ uit het thuisland hebben mij beloofd dat ze nieuws zouden brengen. Goed nieuws mag ik hopen, of ik zit hier nog een dag meer vast.

Ik wandel intussen de Sint-Niklaaskerk in, en geniet er van metershoge schaars verlichte schilderijen op de muren. Het is stil in de kerk; enkele vrouwen lopen in en uit, en achter een zuil ontwaar ik een ineengedoken figuur. Hij kijkt naar mij, en het is duidelijk dat hij wacht tot ik uit zijn vizier ben. Via het altaar achter hem werp ik nog een laatste blik op zijn gebogen rug. Hij zit nu wild hoofdschuddend te prevelen, alsof hij wil zeggen: ‘vraag mij alles, maar dat niet.’ Op weg naar Compostella, of op weg terug uit een of ander Noord-Afrikaans land? Wie zal het zeggen?

Op het kerkhof ligt het aan de grafzerken te zien, vol met betere burgers. Al kan het ook zijn dat het arduin hier in de streek vroeger goedkoper was.

Nog een paar honderd meter en ik ben bij de garage, die de vriendelijke taxi-chauffeur mij had aangewezen op de weg naar Cap Breton, nu alweer 4 dagen geleden.

Einde van een ongeplande extra vakantie in Zuid-Frankrijk. Het is twintig na drie wanneer ik de snelweg oprij, en in de eerste paar uur probeer ik te berekenen hoe ver en hoe lang de tocht nog zal duren. Besluit: het is haalbaar om het in een ruk uit te rijden. Middernacht is het wanneer ik de Parijse Periferique oprij, en na enen wanneer ik met enkele Poolse of Litauwse truckers een koffie ontfutsel aan een machine langs de snelweg ergens te midden van Bas-Picardië.

Rond Doornik zetten wat wegenwerken op de snelweg, mij nog even op een verkeerd been, maar ook deze hindernis neem ik zonder veel tijdsverlies, en tegen vieren kruip ik onder de wol.

Ik kan starten met de voorbereidingen voor de volgende trip naar…..Oekraine.



Portugal: drie dagen molens.

Zes dagen onderweg Posted on 02 aug, 2017 14:43

We vergaderen twee volle dagen, passen ons aan aan het Portugese ritme van de dag, bekijken elk hoekje van het oude klooster, en gaan daarna een dag met een busje een dag lang windmolens en watermolens bezoeken.

Windmolens, op een rij, van buitenaf gezien anders dan bij ons, maar van binnen blijft de techniek toch bekend ogen, eeuwenoud, zij het mits hier en daar een lokale toets. Penacova bekoorde ons die eerste ochtend, met de molens te Gavinhos.

Vervolgens een molenmuseum te Portela Oliveira. ‘s Namiddag hielden we halt in de streek van Góis, waar we de lunch gebruikten in het bergdorpje Aigra Nova, waar tegenwoordig niet meer dan 10 inwoners verblijven. Lousitânea.

Horizontale watermolens te Poco da lontra en Peña dorp. Een oliemolen te Cabreira. Verder voor een verticale watermolen te Pêgo escuro.

Onze Portugese gastheren hadden in elk dorp dat we aandeden niet nagelaten de lokale burgemeesters wakker te schudden, waardoor we naast molens, tal van lokale trouwzalen en andere gemeentelijke vergaderplaatsen bezochten.

De burgemeester van Góis om er eentje te noemen ontving ons met de gepaste egards.

De laatste twee dagen reden we met eigen vervoer de andere richting uit, om uiteindelijk in een buitenwijk van Porto te belanden voor een laatste overnachting.

Start te Santa Comba Dão en vervolgens zouden we richting Águeda nemen voor bezoeken aan molens te Aldrogãos waar we een horizontale watermolen en een oliemolen aandeden. Bij de start te Santa Comba Dão kregen we van de lokale burgervader een toelichting bij het molenproject: Mill Park Project. 10 uur en op weg naar Albergaria a Velha voor meer molens. Nog voor de middag bekijken we achtereenvolgens: Pedralva Rosmolen, Ervosas Windmolen en de Gandara Paltrock windmolen.

Na de lunch gaat het richting Águeda.Macieira de Alcoba blijkt een pedagogisch project of eigenlijk beter dorp te zijn, met toelichting over koren en molens. Hier wordt zowel voor volwassenen als voor kinderen uitgebreide exploratie opgezet. Hier leer je meer over biodiversiteit, watermolens, oliemolens, hand molens, enz… ‘s Avonds keren we terug naar ons Solar do Morgadio voor een overheerlijk dinner.

Tijd om uit te checken en ons richting Ul te begeven, waar zich een molenpark bevind. We bekijken er horizontale watermolens, rijstmolens, broodbakkers, en andere toeristische attracties. Verder naar Fafe voor een lunch in het molen- en volksmuseum van Aboim, waar we nadien vrij kunnen rondkuieren.

15:00 uur en we moeten nu verder naar Gaia, waar zich een biologisch park en molen bevinden. De trip zit er op en Porto is niet ver meer, waar we de laatste avond zullen doorbrengen in een hotel. Enkelen hebben nog een extra dagje gepland om Porto te bezoeken.

Zelf skip ik Porto, omdat de stad mij te druk lijkt, en ik wat rust kan gebruiken, maar wat zei Bredero? Het kan verkeren…… het zou uiteindelijk nog zes dagen duren eer ik mijn dorpje in het midden van de nacht binnenrij.



Onderweg naar Portugal: dag 3 Solar do Morgadio

Zes dagen onderweg Posted on 20 jul, 2017 18:42

Het is even over elf, wanneer ik met enige spijt het idyllisch Spaans plekje, wat campsite Camino zeker is, achter mij laat. Zal ik, op de terugweg, terugkeren naar deze plek? Waarom ook niet, al wil ik ook nog wel een ommetje inlassen langs de windmolens waar Don Quichotte zovele jaren terug de strijd tegen aanbond, en die ik reeds ken van toen ik tien was uit een prentenboek. Lezen was overigens het enige wat mij uitgerekend in dat vierde studiejaar interesseerde. We hadden een schoolmeester, die elke dag liedjes zong terwijl hij zichzelf op zijn minipianootje begeleidde. Tussendoor hanteerde hij de meterstok, waarmee hij met enig leedvermaak regelmatig over de ruggen van ‘stoute’ leerlingen streek. Veroorzaakte je minder onheil, dan mocht je kiezen tussen de meterstok, of het regeltje van 30 cm waarmee hij vervolgens je knokkels beroerde, tot ze rood zagen. Ik schrijf ooit nog wel eens een paar regels over hoe schoolmeesters in lang vervlogen tijden kinderen mochten vernederen.

Ik heb iets minder dan vijfhonderd kilometer voor de boeg om het laatste stukje van deze reis te overbruggen.

Dwars door het Spaanse Baskenland via de Via De Castillia, tot de Portugese grens, waar ik halt hou en verpoos bij een nieuwe café Americano geschonken voor het luttele bedrag van 1,50. Deze reststop kan zo weggeplukt zijn uit een of andere oost-Europese negorij. Kaders aan de muur met ofwel grazende paarden ofwel grazende stieren. De enige TV in de verbruikzaal staat op een kanaal waar niets op te zien valt. Een van de door Springsteen bezongen ’57 channels with nothing on’.

Tijdens mijn vorige halte, nu alweer 2 uur geleden, voor een broodje vegetal (met tonijn, wat heet vegetal hier?), was er op een soortgelijke beeldbuis, god nog aan toe, een Spaanse uitzending bezig van het Rad van Fortuin. Zou Verdrengh hier nu nog steeds royalties voor opstrijken?

Ik rij al een ganse middag onder een blauwe oceaanlucht bezaaid met witte wolkenzeeën.

De radio, Radio Treis begreep ik, zond tot een uur geleden echte rock uit, nummers van pakweg een halfuur van o.a. de Greatful Dead en andere soortgelijke bij ons lang vergeten hippiebands.

Net voor de koffiestop beluisterde ik nog jazzy stukken van Isabelle Antenna, ooit uitgebracht op het legendarische Belgische ‘Les disques du Crepuscules’. Er worden hier dus toch nog goede dingen via de radio uitgezonden. Al zullen dit dus ook wel niche zenders zijn, en is het reguliere radiolandschap al net zo verkloot als bij ons.

Wat krijgen we over enkele kilometers wanneer we de Portugese grens kruisen?

Wat de omgeving betreft valt er al helemaal geen verschil te bemerken, wanneer ik de grens over steek. Snelwegen hebben nu eenmaal de onhebbelijkheid van overal op elkaar te lijken. Weg van de Via de Castilla. De eentonigheid wordt enigszins verbroken door alweer een nieuwe vorm van ‘betalen’ bij het kruisen van mijn eerste Portugese peagestop. We blijven alert op die manier. Deze keer mag ik even opzij rijden, geen ticket nemen, wel een creditkaart in het gleufje stoppen, waarna de auto wordt gefilmd of is het gescand door een camera. Hoe komt anders mijn nummerplaat op het betalingsbewijs? Zijn we nu goed voor de rest van de reis? Uiteraard niet, zal later blijken.

Het landschap begint overigens in deze met Wales gelijklopende tijdzone verdacht veel te lijken op het landschap van het 1500 km noordelijker gelegen Britse landsdeel. Zelfde typische heuvels, zelfde rotsachtige formaties , waar ze net als in Wales ook hier hun wegen doorheen hebben gehakt. Zelfde bouwstijl. Geen wonder dat zoveel Britten hun oude dag komen slijten hier in het zuiden.

Dit had ik echt niet verwacht. Dit is een bekoorlijk landschap, en het blijft maar duren, en het wordt mooier en mooier naarmate ik doordring in midden-Portugal.

Met nog 40 kilometer voor de boeg, verlaat ik de autoweg, en rij ik langs een weg bezaaid met enkele tientallen rotondes richting einddoel: Santa Combe Dao. Op zoek naar ‘de Nieuwstraat’, maar er zijn er drie waaruit ik kan kiezen op het scherm van Garminnken, mijn GPS toestel. Keuze te over, en wat had je gedacht? Ik kom aan in het eerste dorpje waar geen mus te vangen valt. Op naar het volgende dorpje, drie en een halve km verder. Terug door straatjes waar je amper met de auto de huizen kunt ontwijken. Rijden tot waar de weg toch nog een klein beetje verhard is, en ja hoor, om het hoekje prijkt een prachtig gebouw, en zie ik onmiddellijk druk keuvelend mijn ‘geglobaliseeerde’ molenvrienden. Net als ik zijn ze aangekomen met of hun eigen auto, of met een huurauto. Amerika, Nederland, de UK, Roemenië, Griekenland: TIMS is verenigd. De meetings en trips kunnen beginnen.

Nog dezelfde avond verkennen we het hotelletje van onze gastheer, en verbroederen en verzusteren we op de aangeboden receptie.

Het ‘pand’ waar we verblijven, was tot voor enkele jaren een overwoekerd restant van een oud dorpskloostertje. Vandaag werd het voor een groot deel omgetoverd tot een hotelletje met conference-room, theatertje, en een nog af te werken kapel. Niet iedereen van de groep sliep in het hotelletje. Enkelen zaten wat verderop gelogeerd in het dorp.

Link naar hotel



Op weg naar Portugal: dag 2, bij de Basken.

Zes dagen onderweg Posted on 09 jul, 2017 21:24

Dag 2

De volgende morgen, en nog steeds bij Poitiers, omdat ik pas weg kan na negen uur. De ijverige conciërge ontfutselde mij gisteravond, mijn e-id, omdat het na 20 uur was toen ik aan kwam zetten en het receptiekantoortje al gesloten bleek en de brave man mij dus niet meer kon inschrijven. Regels zijn nu eenmaal, ook in Frankrijk regels, noteer ik terloops. Uiteindelijk opende die morgen, een gebrilde jongeling, de zaak nadat de klok 9 uur aangaf..

‘16,5 euro. Neen mijnheer ik ben geen lid van de huppeldepup caravaning club. En neen mijnheer, ik hoef niet echt een factuur, het bonnetje volstaat.’

Betekent dit dat ik “in het zwart” werd ingeschreven? Of zag het kereltje op tegen weer een lange werkdag, en het intypen van vreemde buitenlandse namen?

(C) foto: website http://campingcamino.com

Bon, salut. Ik heb 760 km voor de boeg, waaronder een aantal langs de voet van de Pyreneeën waar ik voorbij moet, om het mooie Franse en Spaanse Baskenland te doorkruisen.

Na exact twee uur karren met alweer 190 km op de teller, nog steeds langsheen de A10 stop ik voor een koffie Americano. ‘Chez Paul PDJ’ stond er onderaan vermeld op het rekeningetje….

Middagbroodjes neem ik bij de volgende stop. Een omgeving waar ik al enige tijd heerlijke open luchten, bezaaid met zuivere wolken ervaar. Precies zoals ik mij die herinner uit mijn kindertijd, of uit latere doortochten ergens in Midden-Engeland, even voor Birmingham, waar ik ze al zo vaak heb bewonderd, terwijl ik afgezien van het besturen van de auto, niets anders heb te doen. Een heerlijk blauw firmament bezaaid met de witste wolken die je kan vinden in onze hemelse collecties. Dat, bijna, azuurblauw wijst er op dat de lucht hier bijzonder zuiver moet zijn. Hier zo dicht bij de oceaan kan het ook moeilijk anders. Een beeld dat wij zelden of nooit bij ons zullen te zien krijgen, omdat wij het doorgaans moeten stellen met afgedreven wolken die ons ofwel uit het Ruhrgebied of uit de Noordfranse industriegebieden bezoeken. Wolken die bovendien vermoedelijk ook nog enigszins gemixed worden met de in ons land opkringelende rook van alles wat de Vlaming toegelaten of niet-toegelaten verstookt. Leven we dan toch met zijn allen te dicht op elkaar? En zeggen dat hier, afgezien van enkele overbevolkte steden er nog zoveel plaats is. Misschien moeten we wel met zijn allen opnieuw naar de boerenstiel, zoals in de dagen waarin trager leven nog heel gewoon was, en wonderbaarlijke ziekten als burn-outs nog niet bestonden?

16:30, Ik ben net Biaritz voorbij, en werp mijn blik links en rechts voor het eerst op wat berglandschappen. Zijn dit nu reeds de Pyreneeën die ik nader? Alpen kunnen het niet zijn want er zijn toch geen Alpen in de Pyreneeën weten we, omdat Walter de Kreuner dat ooit bezong. (*) Ik bedoel maar. Gek eigenlijk, hoe ik jaren lang er van uitging dat Biaritz aan de andere kant van Frankrijk lag, ergens in de buurt van een of andere ski-oord. Komt er van als je nog nooit verder dan Parijs bent geweest….

Ik moet zeggen dat Frankrijk mij tot nu toe niet heeft bekoord. Veel groen en bomen langs de wegen die ik volgde, dat valt niet te ontkennen, maar echt mooie landschappen? Neen. Gelukkig hebben ze ons Joke hier nog niet losgelaten om ‘gekapt’ te maken van de wouden…. Ik heb het gevoel dat ik niets heb gemist. Zal ik dan toch, om gewonnen te raken voor La France, ooit eens richting La bella Italia moeten rijden doorheen de Provence?

Hier in de golf van Biskaje loopt de weg loopt nu al een tijdje, en dat kilometers lang, parallel met de Atlantische oceaan. Al krijgen we de oceaan amper te zien. Toch leuk, mijmer ik bij mezelf, om Gascogne, het thuisland van vierde musketier D’Artagnan, te doorkruisen. Verre herinneringen aan regenvakanties en veel lezen in enkele boeken uit de toenmalig befaamde Rijnaert reeks, duiken op. Het drieluik: De musketiers, De musketiers 20 jaar later en de Burggraaf van Braggelone lieten voor ons Frankrijk leven. Wordt dit nog gelezen door onze jeugd?

Helaas ook vandaag weer geen tijd om wind- of watermolens te bekijken want met nog 250 km voor de boeg, en morgen nog een kleine 600 tot de eindbestemming in de buurt van Porto, blijft het bij het bewonderen van mooi bebloemde wegbermen.

Na een aantal niet te tellen ‘payage’ stops, in Zuid-Frankrijk, en ook in Spanje rij ik de snelweg af richting Castrojeriz. Ik volg al een tijdje borden die mij vertellen dat ik niet zo gek ver verwijderd ben van de route naar Santiago de Compostela. Een bochtige weg met hier en daar een boerderijtje langs de kant en voor de rest glooiende groene heuvellandschappen bezaaid met windturbines, die voor het grootste deel stil staan. Volgens Garmin en Google bevind zich hier ergens een camping waar Compostela reizigers nogal eens durven verblijven. Ik vrees voor het ergste, tot ik uiteindelijk het dorpje bereik. Door de straatjes rond de kerk kan zich amper een auto maneuvreren. Het wegdek bestaat uit wat aangestampte verharde klei. Je kijkt je er de ogen uit. Hoog boven het dorp torent de ruïne van een oude versterkte burcht. Achter nog een bocht ligt dan toch een alleraardigste kleine campingsite. Klein, gezellig, niet duur, en bezaaid met ‘Ollanders en hun sleurhutten’. Ik had het kunnen denken. Er is wifi, en het is er na 11 uur ongelofelijk stil. Dit lijkt haast een avondlijk plaatje uit Wales.

Overigens alles wat eentonig en saai leek in Frankrijk, hebben we achter ons gelaten en vervangen door berglandschappen, ettelijke tunnels in Baskenland, en nu eindelijk af en toe een blik op de oceaan. Helaas geen tijd, noch ideale stopplaats om plaatjes te schieten. Dit is een landstreek zoals ik ze mij helemaal niet had voorgesteld. Niet dat typisch zuidelijke prairie achtige Spanje, maar een groen bijna Welsh of Ardens aandoend landschap. Hier wil ik best terugkomen, ook al moet je er 1200 km voor karren.

De avondlijke hemel raakt stilaan bezaaid met sterren. Het is hier nog echt donker. Ik begin stilaan te begrijpen, waarom er mensen bestaan die naar hier komen om te overwinteren of om er hun pensionitis te beleiden.

25 graden, groene natuur, de oceaan in de buurt. Hoe moet Atlantis er wel hebben uitgezien? The continent of Atlantis, so great an area of land….

(*) Lp van de Kreuners, getiteld: Er zijn geen Alpen in de Pyreneeën.



Op weg naar Portugal dag 1

Zes dagen onderweg Posted on 25 jun, 2017 19:22

Onderweg op vier wielen.

Zwerven door Europa met de auto. Niet à la ‘On the road’, zoals dat in de beatnik tijd het geval was, maar gewoon als alternatief voor de stalen vogels waar ik vijftig jaar geleden een passie voor had. Een zomer lang telden we toen de caravelles, de DC10en en Boeings die dagelijks boven onze hoofden hun zelfde parcours aflegden. Wanneer we geluk hadden zagen we op een blauwe maandag zelfs onze eigenste Red Devils voorbij scheren. Het was de tijd dat er bijna dagelijks kleine vliegtuigjes in de lucht zaten ‘met een handdoek’ er aan vast. Al kende ik zelf die benaming toen nog niet, want de bedenker van die term moest, 10 jaar later, nog geboren worden. Kleine vliegtuigjes die opstegen op het vliegveld ‘De Kluizen’ in Aalst, met een gesponsorde spandoek er achter. Zoals in ‘newspaper taxis appear on the shore’ in die zelfde fantastische zomer van 67. Grotere vliegtuigen dierven al eens met hun staartrook de naam van een sigarettenmerk, Set om het niet te noemen, in de lucht schrijven. Verdwenen beelden uit onze jeugd, zoals er zoveel verdwenen is, wat wij vooral te danken hebben aan onze over gereglementeerde wereld. In juli 67 beleefden we bij het tellen, eigenlijk was het spotten, maar die term moest nog uitgevonden worden, enkele hoogdagen toen we met de fiets naar Hofstade Bad fietsten. Over dat domein vloog nl, om de paar minuten wel een of ander lijnvliegtuig. Wie ooit wat verderop Werchter bezocht, kent het fenomeen.

Maar vliegen nee, niet aan mij besteed. In de wereld van vandaag, sta je het ene ogenblik in de zon, een paar duizend kilometer van huis, en enkele uren later loop je door Amsterdam in de regen. En ook al noemt men dit reizen, het heeft er vooralsnog weinig meer met te maken. Een beetje zoals het brood dat je eet, en dat veeleer lijkt op gebakken lucht.

Reizen doe je zoals het hoort: je beweegt van punt A naar B, en je neemt er de tijd en ook de ongemakken bij. Maar vooral ook de verhalen die je onderweg meemaakt.

Neem nu die zes dagen in 2016 op weg naar en van Portugal, of wat later naar en terug van Oekraïne, of het zoemen over de A5 ergens in Noord-Wales ergens tussen Londen en Dublin. Het traject waarvoor de A5 lang geleden werd “uitgevonden”.

Op weg naar Solar do Morgadio te Santa Comba Dão in Portugal.

Dag 1

Het is nog maar net na half elf als ik even voor Amiens stop langs de snelweg bij een van die Franse ‘resto stops’. Het is er eentje waar in het gebouw ook enkele ‘minimarkets’ gehuisvest zijn. Betalen voor je plasbeurt hoeft zelfs niet. Missschien moet Europa dit ook nog regelen: de maximumprijs van een toiletbezoek. Moet kunnen nu de Engelsen er over enkele jaren niet meer bij gaan horen. Ik merk dat er door het toepassen van een eigenaardige combi kraan, waar zowel water als hete lucht uitkomt, wordt bespaard op handdoeken en wegwerppapier. De koffie wordt er geschonken in behoorlijk grote tassen. Iets wat ik niet verwacht van traditionele franse restaurantuitbaters, en dus derhalve besluit dat dit alles weinig met franse restaurants of keukens te maken heeft. Naar het ernaast gelegen Ibis hotel, zie ik toeristen lopen, een beker koffie in de hand. Ze zien er echt Amerikaans uit, wat er op wijst dat de mondialisering ook in Frankrijk langs de autowegen heeft toegeslagen. De wereld rond reizen, en blijkbaar toch besparen op een tas koffie? Een beredeneerde besparing, en spreiding van de pensioenmiddelen om toch nog een stukje van de wereld bereizen? De wifi verbindingen zijn gratis, maar quasi niet te gebruiken, omdat ze van een bijzonder lage kwaliteit zijn en het hopeloos is om in een verbinding te slagen. We zullen onze e-mails dan maar wat later doornemen.

Terwijl ik over het asfalt glij, flitsen behoorlijk wat gekende plaatsnamen voorbij. St Quentin en Noyon, bekende namen voor de Vlaamse duivenliefhebbers. Plaatsen waar vandaag zelfs geen simpele duif wordt gelost, want de lucht is er vogelvrij. Soissons… zouden ze de gebroken vaas, waarover meester Luc het in het derde studiejaar had, nu al volledig terug in elkaar hebben gepuzzeld? Dit zou toch moeten kunnen in tijden waarin ‘colle tout’ alles lijmt.

Radio Een houdt mij nog gezelschap tot helemaal beneden in de vallei van de Somme. Bij de wat fanatiekere landgenoten bekend als de Zomme. Er zijn er ooit geweest die daar met moeite over geraakten, weten we uit de geschiedenisboeken.

Voorbij de Oise naderen we park Asterickx. Zo weten we ook weer dat we in Gallië reizen. Na 276 km bereik ik eindelijk het Ile de France. We zitten binnen een afstand van 25 km van het centrum van de lichtstad, en nergens een Eiffeltoren te bespeuren. Ze zullen hem toch niet hebben binnen gezet uit vrees voor….

Parijs, de door vele landgenoten gevreesde périferique, de passage langs Bercy, waar rockers als Springsteen of McCartney al eens durven aantreden in het sportstadion. Nog ongeveer 6,5 km verder karren in zuidelijke richting naar de Porte d’Ivry, en dan gehaat het als door een poort, verbeeld ik mij, richting Versailles. Geen tijd voor bezoeken aan paleizen, noch aan Zonnekoningen, want het loopt naar halftwee. Tijd om een tweede plas pitstop in te lassen en de meegenomen broodjes aan te snijden.

Ook hier is de plasruimte optimaal verzorgd en geheel gratuit. Misschien moet ik toch overwegen om bij ons een facebook campagne te starten: ‘Ikwilpissenveurniet’ of zoiets, of is dit geen goed idee? Laat ons besluiten dat er in onze buurlanden meer aandacht wordt geschonken aan de plassende medemens. Een wijs besluit van iemand die nog niet zo lang geleden lid is geworden van de Geraardsbergse broederschap van Manneke Pis.

Via enkele scherpe bochten richten we ons verder zuidwaarts richting Orleans en Bordeaux. Chartres, daar kom ik nog nog terug, want ik wil die kathedraal toch ooit nog met eigen ogen bewonderen. Mr google leerde ons dat het vanaf Parijs nog dik 500 km karren wordt om de ingeplande campsite bij Montignac te bereiken. Maar al zeer snel kom ik tot de vaststelling dat Mr google de natuurelementen niet echt kent.

Orleans en dat zullen we geweten hebben, zal mij nog een tijdje heugen. Ik sprak er een franse flic, en dat gesprek ging niet over Jeanne D’Arc, maar over hoe ik na 100 km zoeken rond Orleans eindelijk weer de A10 ergens op zou kunnen rijden.

Reden: op een gegeven ogenblik werd iedereen van de snelweg gestuurd, om een onbekende reden. Gevolg, alle trucks en ander verkeer wijkt uit naar de vroegere baan naar Orleans. Iedereen begint naar de optimale sluiproute te zoeken. En dat wil de lokale politie nu net voorkomen. Overal zijn ze prominent aanwezig, met een wijzende vinger, die eender welke richting aangeeft behalve Montignac, al zal het daarvoor nog wat ver geweest zijn.

Zij beschermen hun burgers tegen meterslange trucks en ander doorgaand verkeer. No way door het mooie Orleans zullen we niet rijden. Alles slibt uiteraard dicht.

Het duurde tot ik uiteindelijk zoals reeds aangegeven een vriendelijke flic vond op een kruispunt, en daar te horen kreeg dat ik voor Le Sud, best naar Baccon kon rijden, om daar ergens links terug de snelweg te vinden.

Het avontuur kostte mij enkele uren waardoor mijn geplande bestemming, een campsite bij een watermolen, goed 150 km verder nu wel heel ver weg lag.

In de buurt van Poitiers laat ik Garmin voor mij even uitzoeken waar er een bloemenrijke campsite te vinden is, en zie ik kom terecht in Cyr, bij Beauchamps. Het was druilerig weer, maar gelukkig zonder regen en een heerlijke 18 graden.

Tijd zat dus, om tentje op te zetten, en wat avondeten te bereiden, want het was pas 20 uur.

Uiteindelijk won ik nog een paar uur reistijd door op een gegeven ogenblik, de weg naar Bordeaux te nemen in plaats van die naar Montignac. De molen en de geplande campsite worden verschoven naar latere datum. De reiziger moet flexibel kunnen zijn.

Frankrijk staat uiteraard ook voor goede snelwegen maar toch vooral voor ettelijke payages. Tenminste wanneer je snelheid prefereert boven sightseeing.

Een avondwandelingetje over de camping, leerde mij dat ik mij vlakbij een leuk meer, genre Overmere Donk bevond, naast een mooi zwembad, en een nu gesloten cafetaria. Allemaal dingen die niet besteed zijn aan passage clienten zoals ik, of het koppel Nederlanders dat pal achter mij eveneens hun tentje had opgeslagen.

Gelukkig kon ik mij op het terras verdiepen in het beantwoorden van wat mails, want er was wifi. De reiziger was thuis.