Blog Image

Sadeler's blog

If I were a miller at a mill wheel grinding, would you miss your color box, and your soft shoe shining? (c) Tim Hardin

Link naar:  windmolens, Facebook   Meer weten? contacteer mij. 

Opgelet: Alle artikels en foto's zijn beschermd door copyright. Alle overeenkomsten tussen bestaande personen en personages berusten op louter toeval. Topfoto (c) Michel Verdoodt.

Brian Jones 28/02/1942 – 03/07/1969

Classic rock, Forever Young Posted on 08 jul, 2024 23:00

Woensdag, 9 juli 1969

Vandaag 55 jaar geleden  leerde ik, tijdens een vakantiejob, borduren op een kantmachine. Ik werd dus van de ene dag op de anderde borduurder. En dat een hele dag terwijl  G. mocht meerijden met de camion. Naar het schijnt vrijdag nog een volledige dag van hetzelfde.  Na het werk reden we langs de Philips winkel en jawel de bandopnemer staat er nog. Intussen in prijs verlaagd van 6500 naar 5200 frank, daar het een einde serie 68  betreft.  Nog wat bijleggen van de studiebeurs check en we komen er wel.

Donderdag, 10 juli 1969

Vandaag een dag als alle andere deze week. Weer een ganse lange dag aan dat rot machien.  Eindeloos lange dagen zonder einde.  Morgenavond schijnt zo ver weg. De eindstreep van onze vakantiejob.  Met G. is het al net zo gesteld.  We mochten nog van geluk spreken dat het slecht weer was.  

Schreef ik al dat 10 juli ook de dag was waarop Brian Jones, een Rolling Stone, op het kerkhof van Cheltenham werd begraven?

Je kan 1969 bezwaarlijk een topjaar noemen voor de ‘Rolling Stones’, hooguit een jaar van herstel na het fiasco eind 1967 van ‘Their Satanic Majesties Request’, en het mislukte project uit ‘68, dat ‘Rock and Roll Circus’ heette, en pas enkele tientallen jaren later alsnog werd uitgegeven.

‘Jagger en Richards’, hadden in navolging van ‘Lennon en McCartney’ zich toegelegd op het schijven van popsongs, omdat daar in eerste instantie veel meer geld met te rapen viel dan met het coveren van oude bluessongs. En laat dat nu net de onstaansreden zijn van de band. ‘Brian Jones’ was een fervent blues liefhebber, die menig nacht doorbracht op de sofa van ‘Alexis Korner’, waar hij zich door de discotheek van Korner worstelde, op zoek naar de echte blues. Korner was bekend voor zijn verzameling albums, waarvan de meeste geïmporteerd waren uit de States. Een liefhebberij die ook door de jonge Jagger langs de andere kant van Londen werd beoefend.

Al bij al bestond in die dagen in Londen toch een beperkte scene, waar in enkele clubs, latere sterren als ‘Eric Clapton’, ‘Jimmy Page’, ‘Paul Jones’, ‘John Mayall’, en tal van tijdgenoten naar elkaar kwamen luisteren. Dat Brian Jones opgegeten was van de blues blijkt alleen al uit het feit dat hij zich ‘Elmo Lewis’ liet noemen, verwijzend naar de slidegitarist ‘Elmore James’, waar hij een boon voor had. Brian zocht andere muzikanten om samen een bandje mee te vormen. Waarschijnlijk dacht geen van de tijdsgenoten in die dagen dat daar een levenslange job in zat. Het was op dat ogenblik vooral ontsnappen aan een job ergens in een fabriek of stratenmaker worden, een bezigheid die ‘Robert Plant’ nog een tijdje uitoefende in Kidderminster en onmiddellijke omgeving. ‘Roger Daltrey’ van de ‘Who’, beoefende ooit het loodgieterschap, en van ‘Rod Stewart’ wordt verteld dat hij een tijdje grafdelver was, wat niet echt klopt.

Weet ook dat bluesmuziek en bij uitbreiding populaire muziek niet onmiddellijk een product was dat bij honderden of duizenden over de toonbanken ging.  Het was die jongelui vooral te doen om via de muziek en voornamelijk via kleinschalige optredens in kleine clubs te overleven.

Soms vraag ik mij af: waren de ‘Beatles’ er nooit geweest, die de hele markt opengooiden, zouden die Londense jongens dan uiteindelijk toch succes hebben gehad?  Zou het leven van Brian Jones er anders hebben uitgezien, en zou hij misschien zelfs nu nog hebben geleefd? Ik weet ook wel dat indien ons kat een koe was geweest, ze melk zou gegeven hebben, en je ze kon melken onder de stoof, bij wijze van boutade. 

Men wil ons graag doen geloven, dat de uitgave begin jaren zestig, van de songs van ‘Robert Johnson’, een en ander teweeg bracht, maar dat is veeleer, iets wat pas jaren later door veel auteurs werd geponeerd.

Om een en ander te weten te komen over Brian Jones en de jonge Stones is het aan te bevelen het boek van ‘James Phelge’ er op na te slaan. Phelge deelde een tijd lang een kamer met de nucleus van de Rolling Stones. Een van de manieren om betaalbaar te kunnen wonen in Londen, was ‘sharing’, kostendelen.  Op de eerste platen van de Rolling Stones tref je heel wat songs aan van de hand van ‘Nanker Phelge’.  Dit was een imaginair persoon, die zijn naam ‘leende’ aan wat eigenlijk groepscomposities waren.  Een ideetje van Brian Jones, waar James Phelge zelfs in het begin niet van op de hoogte was.  Nanker kwam van nankering, een soortement gekke bekken trekken, dat door Jones werd beoefend, waarbij hij zijn neus naar boven duwde en zijn ogen naar beneden trok. Oude vrouwtjes aan het schrikken brengen en meer van dat soort ongein. 

Voornamelijk  Brian Jones, die al sedert zijn vijftiende, ongewild vader werd, en die stunt enkele keren herhaalde, was op zoek naar een ‘deftig’ inkomen. Het oprichten van een eigen bluesgroep, kon daar toe bijdragen. Via annonces, en contacten met Korner ontmoette Brian  uiteindelijk Jagger en Richards, alsook ‘Dick Taylor’, die later bij de ‘Pretty Things’ zou opduiken,  en tot slot  een niet meer voor de geschiedenis belangrijke drummer (voorloper van Charly).  Het is bekend dat toen ze samenhokten in ‘Edith Grove’, waar Jagger’s moeder regelmatig kwam kuisen en hen wat eten toestopte, Richards en Jones constant songs probeerden na te spelen.  Jagger studeerde nog voor boekhouder en was overdag vaak weg.

Ze kregen het voor elkaar om regelmatig in de ‘Crawdaddy’, de club van ‘Giorgio Gomelsky’ op te treden, en enkele andere clubs, zoals de ‘Marquee’. Optredens versierden ze ook op het legendarische ‘Eel Pie Island’, waar je via een loopbrugje al je materiaal heen moest slepen.

Giorgio Gomelsky bezorgd om de jonge band, werd hun manager.  Zijn bezorgdheid en managerschap was zuiver op vertrouwen gestoeld, want er werd nooit een contract opgesteld. Dat zou hem later zuur opbreken, wanneer de jonge Amerikaan, ‘Andrew Loog Oldham’,  op de scene verscheen, en de band wegkaapte onder de ogen van Gomelski. Gomelsky ruilde de Stones in  voor de jonge ‘Yardbirds’ met Eric Clapton, en het leven kabbelde verder. 

Brian stuurde brieven naar de BBC en naar iedereen die hij vond die hen zou kunnen helpen bij het opzetten van een carrière. (Iets wat Beatle Lennon in den beginne ook deed).

In die dagen verwerkte ‘Decca’ nog altijd de kater die ze opliepen vanwege het niet onder contract nemen van de Beatles. ‘Guitargroups are out now’, lieten ze de Beatles weten. Toen Decca eenmaal zag dat er met die ‘gitaargrtoepen’ toch wel wat te rapen viel, haasten ze zich om waarschijnlijk ‘de eerste de beste’ die zich aanbood te evalueren, en te signeren. Het geluk was met Brian en de Stones, en hun splinternieuwe manager Andrew Loog Oldham. Oldham leerde overigens een stuk van de stiel bij ‘Brian Epstein’, de Beatles manager.  Zelfs  Beatle ‘George Harrison’ speelde blijkbaar een rol in het versieren van het platencontract bij Decca.

Brian Jones moet ongelofelijk tevreden geweest zijn in die dagen. 

Al zou  het tij zou snel keren, wanneer bleek dat de Beatles hun eigen materiaal begonnen te schrijven, en miljoenen exemplaren  van hun platen verkochten, en dat niet enkel  in Engeland maar spoedig  ook in de USA en de rest van de wereld.  Binnen de kortste keren vormden de meeste authentieke bluesbands in Londen zich om tot popbands die maar wat graag in de voetsporen van de Beatles traden. De Amerikanen hadden het in 1964 en 1965 over de Britse invasie.  De Stones,  volgden in dit spoor en volgens de legende sloot Oldham, Jagger en Richards op, met de opdracht pas terug naar buiten te komen wanneer ze een eigen nummer hadden gecomponeerd. Tot die eerste nummers behoren o.a. ‘As Tears go By’ en ‘The Last Time’, een regelrecht gejat nummer van de Staple Singers.

In de praktijk kwam het er op neer, dat muzikanten die hun hart aan de blues hadden verpand, alleen maar konden toekijken naar wat zich voltrok.  ‘Manfred Mann’, wiens eerste lp’s schitterende bluesnummers bevatten coverde ‘Do Wach Diddy’ en startte hiermee hun carrière als popband.  Bluesman en zanger Paul Jones, stapt uit de groep.  Idem ditto bij de Yardbirds, waar Eric Clapton de richting niet ziet zitten die de band uitgaat.

Bij de Stones was het niet anders. Ook daar moet Jones vastgesteld hebben, dat hij zijn greep op de band kwijt was. Aleen…. hij stapte er niet uit, en bleef. Was het omdat dit hem een rijkelijk leven bood, en hij besefte dat opnieuw beginnen niet makkelijk zou zijn?  Was zijn talent om een band te leiden dan toch niet zo groot?

Gedurende de succesjaren van de Rolling Stones liep Brian vaak in de kijker, maar dat was voor het grootste deel niet vanwege zijn muzikale prestaties. En toch was hij de beste muzikant in de band. Hij bespeelde een scala aan instrumenten. Luister maar naar ‘Paint it Black’ waar hij de sitar bespeelt, of naar de Beatles-B-kant ‘You know my name’, waar Brian aanwezig is op saxofoon.

Maar het feit dat Brian geen hits uit zijn instrumenten toverde, en Jagger en Richards dat plots wel konden, dreef hem naar het achterplan. Jagger werd de echte frontman en in die positie door de pers ook aanzien als de echte leider van de band. Iets wat Brian erg moet gefrustreerd hebben. Brian verdiepte zich dan maar in enkele zijprojecten, zoals in de filmscore voor ‘A degree of Mur’der’ die hij samen met Jimmy Page maakte, en waarop ook ‘Nicky Hopkins’ te horen is, de pianist op ‘She’s a Rainbow’.  Of ook nog in een plaat die hij opname met een aantal Marokkaanse muzikanten onder de noemer:  ‘Brian Jones Presents the Pipes of Pan at Joujouka’.  Niet echt succesvolle ondernemingen. En in 1968 beterde het er niet op. Hij zag er opgezwollen uit en bleef vaak afwezig bij geplande opnames.  Ook het feit dat de Stones, net als de Beatles gestopt waren met optreden, was in het nadeel van Brian.  Hij kon zijn muzikale kunsten niet meer tonen op een podium.  Bij de opnamen van het ook al mislukte project Rock and Roll Circus, diende de regisseur hem om te praten om toch te komen.  Hij vertikte het bijna omdat ze hem teveel pesten, zoals hij het zelf uitdrukte.

Zou hij het feit dat ze hem begin juni ‘69 ontslagen hadden,als  bevrijdend hebben ervaren? Brian was geen leidende figuur, en het opzetten van een nieuwe band, of nieuwe soloprojecten zonder hulp van anderen lijkt hoogst onwaarschijnlijk. In elk geval de Stones wilden weer op pad met hun nieuwste LP, en daar paste Brian al helemaal niet meer in.  Hij had er ook nog nauwelijks op meegespeeld. En wat zou er gebeuren wanneer Jones voet zou ztten op Amerikaanse grond, na zijn veroordelingen voor gebruik van drugs?

De Begrafenis in Cheltenham op 10 juli 1969.

Ik lees vaak dat met uitzondering van Mick, die op weg was naar  Australië om er ‘Ned Kelly’ te vertolken in een film, hij de enige Stone was die afwezig was. Wie de geschiedenis wat beter doorzoekt moet vaststellen dat ook Keith en zijn vriendin ‘Anita Pallenberg’, overigens het ex-lief van Brian, er niet waren. ‘Anna Wohlin’ de toenmalige Zweedse vriendin van Brian schitterde ook door haar afwezigheid, al wijt ze dit aan het feit dat het haar verboden werd aanwezig te zijn, door het Stones management. Bouwvakker ‘Thorogood’ was er dan weer wel. De man waarvan later beweert werd dat hij Jones omgebracht zou hebben.

Drie juli, vijftig jaar later,  gaf Brian’s dochter, bij het graf,  een interview aan Sky News, waarin ze beweert dat Jones niet zomaar verdronk, maar werd “geholpen”.   Donovan, de Britse folkartiest,  bezocht het graf in gezelschap van Linda Lawrence (ex-vriendin van Brian) en de kleinzoon van Brian en Linda, Joolz.  Fans van Brian kunnen terecht bij twee besloten facebook groepen: Brian Jones Golden Stone en Brian Jones-The original Rolling Stone.

Via een ander filmpje dat een fan maakte, horen we dat ook Pat Andrews (*) en Jimmy Phelge aanwezig waren op de vijftigste herinneringsdag te Cheltenham.  Brian kwam uit Cheltenham een eind van Londen.

(*) https://www.gloucestershirelive.co.uk/news/cheltenham-news/cheltenham-must-more-remember-rolling-199728



1967 Summer of love: sex in de keuken

Forever Young Posted on 21 jan, 2024 19:28

1967, de zomer van…. ‘radio 227’, ‘All you Need is Love’, ‘San Francisco’, en wat verderop in de wereld, de ‘Summer of Love’.  Nederland trachtte er wat van mee te pikken en plaatste een foto van een naakte ‘Phil Bloom’ in een tienerblad. Dit naar aanleiding van het programma ‘Hoopla’, gepresenteerd door ‘Joost den Draaier’, waar het al na een aflevering met gedaan was.  De tijd was er nog niet rijp voor.  Het zou nog twee jaar duren eer ze naakt rondliepen op het Woodstock festival, of eer er toneelstukken à la ‘Och! Calcutta!’ op de wereld werden losgelaten.

Bardot en Gainsbourg

Onze vakantie speelde zich af op en rond de ‘Kleine Steenweg’, waar men net een wat vieze kleine putenvijver (vol met kikkerdril)  omvormde tot een in ons ogen waar openlucht zwembad.  In het huis er pal voor woonde een gezin dat in Duitsland verhakkelde Mercedessen opkocht, die compleet restaureerde en er op die manier een broodwinning aan over hield.  De dochter van hun Duitse leverancier bracht er dat jaar de zomer door.  Ze was wat ouder, en paradeerde af en toe in bikini aan de vijver.  Sybille, onbereikbaar, was voor ons het levend geworden onbereikbare playboy model uit boekjes die toen nog in de winkels lagen voorzien van witte of zwarte stickers op de cover. 

De vakantie was spannend begonnen.  Vijftien en veertien waren we, en tuk op het bijverdienen van een zakcentje.  Bijna iedere jongen van die leeftijd vond het nuttig vakantiewerk te doen. Het hoorde zo. Werken op het veld, gebukt staan onder een hete zon, om rozen te oculeren vonden we niet goed genoeg.  Voornamelijk, omdat daar amper 8 of 9 frank per uur werd betaald.  Een oudere gast in de buurt, Marcel, vertelde dat er bij ‘Meubelfabriek Paul De Neef’ op de Gentse Steenweg, altijd werkstudenten aan de slag waren, en nu was er nog niemand begonnen.  Als vijftienjarige kreeg je zelfs 20 frank per uur; een jaar jonger moest zich tevreden stellen met 15 frank. Daar lag onze kans. Om het verhaal kort te houden, we hielden het amper drie en een halve dag vol.  Ongezonde werkruimte, afstompend werk, een hele dag kastjes afschuren, en buiten scheen bovenal de zon. PDN snapte het niet echt toen we die donderdagmiddag stelden dat we het wel gezien hadden.  Hij dacht nog even dat het voor die dag was, bekeek ons en zei dat we op het einde van de “quinzaine” om ons “pree” mochten komen.

De rest van de maand fietsten we enkele keren naar ‘Hofstade Bad’ bij Mechelen, waar we de dag doorbrachten op het ligstrand, dromend van de lokale grieten die daar paradeerden, en waar Marcel en André, als volleerde achttienjarigen hun kansen bij waagden.

In de Brusselse Nieuwstraat brandde in 1967 de Innovation uit. Het enkele maanden eerder opgerichte ‘Radio 227’, op het schip van ‘Radio England’, waar de latere ‘Veronica’ deejays ‘Lex Harding’ en ‘Tom Collins’ hun eerste stappen zetten, stopte met zijn uitzendingen op 14 augustus.  De aanleiding was de Britse ‘Marine Offences Bill’ die uitzendingen vanop radioschepen verbood.  Dus het schip, van ‘Radio England’, ‘Radio Londen’, ‘Radio City’ en nog wat andere werd naar de havens gesleept.  Alleen ‘Radio Caroline’ hield vol, tot op de dag van vandaag.

Tijdens de vakantie van 1967 regende het regelmatig.  Tijd om in huis bijeen te kruipen rond een bandopnemer en er muziek te beluisteren die de vader van R. op zondagvoormiddag opnam in radioprogramma’s als ‘Harbalorifa’, waar ze continu plaatjes draaiden zonder getater tussenin.  ‘The Pied Piper’ van Chrispian Sint Peeters’, ‘I love my dog’ van ‘Cat Stevens’ en ‘David Garrick’s Dear Mrs. Applebee’ werden vaak de ether ingestuurd. 

Maar je bent jong, en rond een bandopnemer zitten gaat snel vervelen. Ideeën borrelden op in het gezelschap dat bestond uit drie jongens en twee meisjes. Vader en moeder van R. waren naar de naburige stad inkopen doen. En R. die al een hele zomer achter Magda, de oudste van het gezelschap, aanzat kwam met het idee, een luisterspel op te nemen.  Luisterspelen waren in die tijd nog wekelijkse kost op de Belgische radio.  

R. vond een kleine tape, die niet veel meer werd gebruikt, en dus geschikt werd bevonden voor het experiment.  Een uitgeschreven scenario of tekst was er niet, was ook niet nodig, want R. kende de woorden maar al te goed die hij tot Magda richtte. Het werd een verleidingspel eerste klas, waarbij Olga W. en ikzelf eerder toehoorders en genieters waren. Magda speelde haar rol van niet te vermurwen uitdagende prooi ten volle. R. bleef aandringen. 

Gedurende dezelfde zomer namen ‘Serge Gainsbourg’ en ‘Brigitte Bardot’ hijgend en steunend ‘Je t’aime, moi non plus’ op, waarbij ze zich op “veilige” afstand van elkaar bevonden, althans toch volgens BB.  Wij waren niet op de hoogte van wat Serge en Brigitte opnamen. Toch liep het in ons luisterspel niet anders. Magda zat aan de kop van de tafel en R. zat aan het andere uiteinde van de tafel. Wij er tussenin, genietend.  Het geheel nam nog geen tien minuten in beslag, maar er werd plots heftig op de deur geklopt door, dat herinner ik mij niet meer, en de kreet: “a moeder” sprak boekdelen.  R. verstopte nog snel het bandje in een of andere kast waar vader Felix het al na enkele minuten vond, en terstond ging luisteren om te horen wat er was weggeveegd.  Het hielp geen zier om uit te leggen wat het opzet van de opname was.  Voor pa en, ma was het duidelijk wat er gaande was, en wat er gebeurd was. Diezelfde vakantie mocht R. geen stap meer op straat zetten, toch voor een tijdje. 

Twee jaar later toen ik zelf een bandopnemer kocht, na alweer een vakantiejob, maar dat is een ander verhaal, kopieerden we het “luisterspel”.  Ik vraag mij af of dit bandje, of mogelijks het origineel noch kan gedigitaliseerd worden, ter nagedachtenis van de aanwezige meisjes, die toch wel de hoofdrol speelden in dit onuitgegeven luisterspel.

Zomer ‘67, ook wel Summer of Love.



De eerste werkdag

Forever Young Posted on 02 nov, 2022 13:30

Vandaag, precies 50 jaar geleden toog ik voor het eerst “echt” aan de slag. De vakantiejobs uit de voorgaande jaren tel ik even niet mee. Dat is voer voor later.

HJet was overigens ook de eerste dag dat ik een voet zette in het Brusselse Centraal Station, en ik trein-pendelaar werd voor tenminste tien jaar. Tot de dag dat ik het niet meer zag zitten om deel uit te maken van het nmbs systeem: haringen in een ton, of teveel mensen laten rechtstaan in een trein. Wat maakt het uit?

Hoe de dag verliep kon je vier jaar geleden al lezen…. blijft een mooie herinnering



Kamperen, deel 1: Kalisjesap.

Forever Young Posted on 24 aug, 2022 12:33

De rust op de kamping laten mij toe te reflecteren over mijn kampeerverleden. Ook al wordt die rust af en toe verstoord door helse tuigen die zij aan zij doorheen het luchtruim van de Conwy vallei scheuren.  Iemand die weet waarom ze altijd per twee oefenen? 

In gedachten zie ik de ‘Zavelput’ uit mijn jeugd. Wat lager is men begonnen met de aanplant van een partij rozelaars. De drukte van de steenweg lag een eind weg. Auto’s hoorde je er amper.  De steenweg was toen nog een holle weg, en bomenrijen fungeerden als schermen. Gelukkig zijn, de zuid-, de west- en de noordkant ongeschonden gebleven, hier bij de Zavelput. Moet dit niet dringend vastgelegd worden voor het nageslacht? Het is een stuk eenvoudiger dan hen overtuigen en meetronen naar hier. Ze zouden het vermoedelijk eerder banaal vinden. 

Vanaf de Zavelput kijk je uit over de molenbeek vallei, waar de boomgaard met appels is verdwenen. Daar hoef je ‘de draad’ niet meer te doen.  Vroeger leek het alsof het Zomerhuisje in een bos lag. Ook dat werd gerooid. Andere bospartijtjes kwamen er voor in de plaats. Hier gaat de tijd traag nog traag en vallen wijzigingen amper op, alhoewel…. het oude huisje van Pee dat ons scheen als een Hans en Grietje peperkoekenhuis overleefde de sixties niet. Een groter exemplaar aangepast aan de noden van de jaren zeventig, fantasielozer, kwam in de plaats. Het mocht er net geen vijftig jaar blijven, om over te gaan in een kubistisch gedrocht, dat misschien past bij de nieuw aangelegde betonweg, maar dat zeker en vast zou gevloekt hebben tegenover de vroeger aanwezige vlasroot put.  De aanwezige bloemenserres van De Nijs deinen verder uit. De hele regio hier is doorspekt met kleine bospartijtjes, die spijtig genoeg aaneengeregen worden door een overvloed aan maisvelden.  Geen mens die nog weet dat Maurice de zavelboer, zich hier, in deze kouter, kwam bevoorraden.

Ik kan eindelijk begrijpen dat mijn vader daar beneden in dit stukje van de wereld zijn ankerplaats vond.  

Vandaag was een dag waarin je het geluid van ‘a screaming day’ kon horen. In de verte hangen enkele luchtballons bijna roerloos, boven de Onegem Meers. Een uitgelezen plek is het hier aan de Zavelput om toe te zien hoe de meanderende beek, netjes de warme betonnen stad ontwijkt.  De avond valt net nog niet. Het zomeruur zorgt er voor dat we twee uur vooruit lopen de echte sterrentijd. Halfnegen zou het moeten zijn, of nee eigenlijk halftien. Het is vandaag precies een week na kermis, en iedereen weet dat het vroeger in de kermisweek om acht uur donker werd.  Wordt dit het afscheid van een zomer? Blauwachtige nevels duiken op. De rozen ruik je tot hier. Ogenblikken om te delen. 

Kamperen, het blijft iets eigenaardig, en er zullen zeker een heleboel mensen zijn die het nooit hebben gedaan, of vinden dat het iets voor de jeugd van giro of scouts is.  Wie ons leerde kamperen?  Dat zijn verre herinneringen die teruggaan tot 1963 of 1964. We togen op weg samen met W, ons klein dekentje, enkele boterhammen en een drinkbus gevuld met ‘kalisjesap’(*) tegen de dorst.  Kalisjesap…. een combinatie van een stukje van een stok zoethout en een zwarte stek ‘sjinzjip’. Of hoe dat ook mag heten.  Deze attributen opgelost in water met een flinke scheut suiker er bovenop moet voor ons de allereerste versie van zelf gebrouwde coca-cola zijn geweest. 

De Zavelput, hoe vaak we er de wolken hebben bewonderd tijdens vakanties, of we er op vrije woensdagnamiddagen, op onze ruggen lagen. Hert aantal kampeermomenten aan de Zavelput valt niet meer te achterhalen, maar het zal minstens zo vaak geweest zijn als de keren dat we verder afzakten naar de ‘Parijbossen’.  En ook daar  brachten we onze  namiddagen door, liggend op onze dekentjes verhalen verzinnend. Via de ‘Krevelhoek’ en het ‘Kruiske’, een smal baantje,  dat weer uitgaf op een veldweg, bereikten we een kruispunt van veldwegen.  Hier op deze ‘crossroads’ verkocht niemand zijn ziel aan de duivel, maar werd wel in de jaren vijftig een oud vrouwtje vermoord. Verschillende boeren uit de omtrek werden hierover aan de tand gevoeld, maar nooit is aan het licht gekomen wie daar een moord pleegde. Onze ouders wisten doorgaans niet dat we daarheen liepen, want op enige goedkeuring viel niet te rekenen.  Dit bleef voor altijd een plek des onheils, temeer daar de dader nooit was gevat.  Bang zijn we op die plek nooit geweest, en hoe vaak hebben we er niet gekampeerd? 

In die dagen, zag je nog net voorbij de Zavelput, vanaf het hoogste punt langs de weg,  het silhouet van de ‘Tucmolen’ heersen over zijn omgeving.  Gemalen werd er nog amper in die houten reus, want we zaten toen al in de nadagen van koning windmolen.  De bomen groeiden nog niet tot bij de wolken. Het zou vandaag onmogelijk zijn om, vier kilometer verder,  een glimp op te vangen van de molen, temeer ook omdat hij op die plaats niet meer staat.  In dat verre westen, uit onze kindertijd, slechts enkele dorpen verder, boven de  bomen uittorend, mis ik dat silhouet van de Tucmolen.

Tijdens een van van onze kampeermomenten zijn we ooit richting ‘Papegem’, gewandeld om de molen van dichtbij te bewonderen, met als uiteindelijk resultaat: veel te laat thuis. 

De molen fascineerde ons. We waren er ons van bewust dat die een heel eind weg stond. 

Ouder dan twaalf kunnen we niet geweest zijn. Niemand mocht weten van ons plan, want toestemming zouden we toch nooit gekregen hebben. En dat leidde er toe dat we de kortere terugweg via de baan van Gent naar Aalst niet konden nemen en we dus verplicht waren een grote omweg te maken, terug via ‘Overimpe’ en de Zavelput, de weg langs waar we waren vertrokken. Telkens ik langs die weg, de ‘Overimpestraat’  voorbij kom zie ik nog altijd het ijzeren toegangshek van een wei, waar we veel tijd verspeelden.  Dierenvrienden als we waren wouden we een koebeest redden dat de stommiteit had begaan van zijn kop tussen de spijlen van dat hek te steken.  We weten allemaal dat het gras altijd groener is aan de andere kant van de heuvel, iets wat dit onvolwassen beest ook zal gedacht hebben toen het haar kop, vermoedelijk, schuin doorheen het hek stak.  Het kon niet meer terug en stond dan maar wat te blèren. Ons besluit stond vast. We zouden koe junior even helpen.  Met volle kindermacht probeerden we de kop van de koe opnieuw schuin te draaien om het dan achterwaarts te duwen weg van het hek. Dat het beest zich zo krachtig zou verzetten, en dat het geen jota van ons geduw en getrek begreep, daar hadden we echt niet op gerekend. Au contraire, het beest wrong tegen dat het geen naam had.  We zijn uiteindelijk met spijt in het hart opgestapt, het blèrende beest achterlatend.  Iemand, de boer (?) zal het probleem uiteindelijk wel opgelost hebben, durf ik te hopen. De onderneming hadt er wel voor gezorgd, dat we uur en tijd uit het oog hadden verloren. Rond acht uur arriveerden we en het was meteen duidelijk dat onze ouders daar niet stonden om ons met open armen te ontvangen en ons te feliciteren met onze expeditie. De verwelkoming leek eerder op een scheldtirade. Al zullen ze in hun hart wel blij geweest zijn dat ze ons niet kwijt waren.  Ik herinner mij alvast niet dat we er huisarrest voor kregen. 

We bleven een tijdje weg van onze kampeerstek aan de Zavelput.  

Bij enkele families in de buurt doken in die tijd, plots “echte” tenten op.  Of daar ooit mee gereisd werd is mij niet bekend. In de zomer werden ze vaak opgesteld in de achterliggende tuinen. De ene hadden een azuurblauwe daktent, anderen dan weer een kakikleurige ex-legertent, of zoals bij ons een zelf in elkaar gestikt exemplaar dat zo uit de Singer kwam gerold, en met geknotte stokken uit de boomgaard rechtop werd gezet. Op de “vloer” spreidde ik een leger van biezen uit. Er stonden genoeg biezen achter in de boomgaard waar het, vooral in de winter nogal drassig kon zijn. 

Op zekere dag kreeg ‘Jean-Pierre’, de zoon van de beenhouwer, een spiksplinternieuwe tent.  Het was een hete zomer, en er zat onweer in de lucht. Een zomerse vakantiedag waarbij je al kort na de middag het gevoel kreeg dat het niet echt goed zou aflopen, maar dat deerde ons niet. Met in totaal drie tenten togen we richting Zavelput, tot bij een kruispunt waar voldoende plaats was om de tenten op te zetten. Na nog geen uur zag het er naar uit dat zou gaan pijpenstelen regenen.   Er was amper een tent rechtgezet. R. en M. waren de enigen die daar wat ervaring in hadden. 

Net voor de regen met bakken uit de lucht zou gaan vallen, zette de beenhouwer bij hem thuis de handen aan de mond en hoorden we hem “Jeannnnnn-Pierrrrrrrre” roepen.  Wanneer de beenhouwer, de handen aan de mond zette om J.P. Naar huis te sommeren kon je dat waarschijnlijk in heel het dorp te horen. Jeannnn-Pierrrrrrre, hoorden we enkele keren na elkaar, en dat het nodig was stelden we zelf ook wel vast, want niet zo heel ver van ons begin de lucht stilaan asgrauw te kleuren. 

Hoe snel we alles bij elkaar gepakt hebben, weet ik niet meer, maar het werd rennen tegen de klok, of beter tegen het onweer. Net op tijd waren we in die grote garage naast de beenhouwerij waar de vleescamion stond, waarop J.P. jaren later in sierlijke letters zou schilderen: ‘Verver van dieren’. Tot groot jolijt van ons en woede van vader Marcel die uitriep: “Maar Jean-Pierre toch, ziede da ni… kemel”. De camion was bedoeld voor ‘Vervoer van dieren….’

De volgende dagen lepen we onder een vel plastiek van een paar vierkante meter door de gietende regen naar de watermolen. 

Wij zijn er regelmatig blijven op uittrekken met ons rugzakje en dekentje, en onze boterhammetjes.  Bij de spoorwegovergang op ‘Speckaerts’ gingen we treinen spotten, ook al kenden we niet eens dat woord.  Bij de nieuwe brug over de E40 tussen Erpe en Mere telden we auto’s.  Jij neemt de Volkswagens, ik neem de Volvo’s… zo ging dat. Iedereen koos een bepaald merk, en dan was het om ter eerst honderd halen, of bij een andere gelegenheid telden we ‘anderlanders’.  Kids just want to have fun….

Met ouder worden en nieuwe uitdagingen die zich aandienden verdween kamperen uit ons leven, of toch weer niet?  Vervolgt….

(*) Meer weten over kalisjesap? https://www.variaties.be/wp-content/uploads/2017/03/variaties-op-je-bord.pdf

https://www.bruzz.be/culinair-ontdekt-drop-2011-08-18



Pink Floyd 1975: epiloog.

Forever Young Posted on 23 jul, 2020 13:36

Het was juli 75, en het dagelijkse leven hervatte zich.  In de Britse pers verschenen recensies. Zelfs nu nog 45 jaar later wordt er regelmatig over het Knebworth festival uit 1975 geschreven, en duiken er nog foto’s en zeldzame, vaak minderwaardige’ geluidsfragmenten op.

Blogs, rapporteren jaren na datum: Let op met verslagen, op diverse blogs, die pas jaren later werden geschreven, enkel gesteund op basis van vage herinneringen.  Een voorbeeld: https://vintagerock.wordpress.com/2014/01/22/pink-floyd-at-the-knebworth-festival-knebworth-park-5th-july-1975/

We lezen o.a. over het optreden van de Steve Miller Band. ‘We hadden natuurlijk allemaal het klassieke nummer ‘The Joker’ gehoord, maar als we kijken naar gepubliceerde setlists van zijn optreden die dag, lijkt het erop dat hij het niet heeft gespeeld (wat ik moeilijk te geloven vind, maar we waren teleurgesteld); om eerlijk te zijn herinner ik me niet veel van zijn set.’

In een uit 2016 daterende reactie van ene Bob Whiteheaf hierop lezen we:  ‘Ik was misschien een beetje meer “wakker” maar herinner me duidelijk “de joker” van de Steve Miller-band ….’ om maar te zeggen dat het geheugen een zeef is en iedereen datgene er in bewaart wat hij of zij zelf graag wil. Voor alle duidelijkheid: the Joker werd NIET gespeeld.

Ook de vlucht van het kleine vliegtuigje aan de piloon wordt op een verkeerd ogenblik gesitueerd. ‘Vlak voor het begin van Dark Side of the Moon vloog een vliegtuig over de menigte (reizend langs een draad van de verlichtingstoren) en stortte neer op het podium. En toen kwam de bekende openingsstem “Ik ben al jaren gek, absoluut jaren … ..” en het spookgelach … en we waren vertrokken, getuige van de laatste uitvoering van DSOTM door de Floyd met Roger Waters .’

En in het besluit van dit blog artikel geeft de auteur nog een herinnering mee van een aanwezige vriendin, die blijkbaar de dag doorbracht in de motregen.  Hoe slecht kan je geheugen zijn? ‘Mijn vrienden John en Susan zaten ook in de coach. De herinneringen van Susan van de dag: ik herinner me niet veel van de acts behalve Pink Floyd en ik denk dat dat kwam omdat ik zo dankbaar was dat het betekende dat het festival bijna voorbij was! Ik herinner me de dag als zittend op een deken in een vochtig veld tussen duizenden mensen (en een paar kleine honden), met nevel en motregen die vrijwel de hele dag vielen, absoluut uitgehongerd waren en de meest verschrikkelijke badkamer faciliteiten moesten gebruiken die ik ooit had tegengekomen.’

Laten we ons dus maar baseren op wat de ‘echte’ pers er in de dagen na het festival over rapporteerde. In de gespecialiseerde pers verschijnen in de week van 12 juli enkele recensies, en naar goede gewoonte in die dagen, waren dit niet direct de verslagen waarop wij, en andere aanwezigen echt zaten te wachten.

The Guardian. Robin Denselow pende reeds op dinsdag 7 juli zijn verslag neer in de Guardian. Volgens deze man leek het hem ‘een glorieus festival dat leek op de festivals uit de jaren zestig.’ Maar, merkt hij op:  ‘het publiek van vandaag verwacht gladheid en professionalisme, in plaats dan geëxperimenteer.  Rock is big business geworden,’ lezen we nog, ‘en dat vereist professionaliteit in plaats van experiment.’ 

Nog enkele citaten: ‘De Knebworth-artiesten hebben allemaal de transformatie van psychedelische kelders naar sportarena’s overleefd en zijn – in verschillende mate – bekender geworden door de verandering.’ 

‘De grootsheid en complexiteit van hun show (Pink Floyd) heeft nu zijn voor de hand liggende gevaren: op zaterdag werd hun set bijna vernield door technische fouten waardoor ze het podium moesten verlaten voor een half uurtje reparatie.’

Denselow vindt het nieuwe Shine On You Crazy Diamond, hun beste stuk. ‘Een klassieke Floyd-mix van statige, wervelende melodie en stuwende ritmes, – enigszins ironisch – opgedragen aan hun voormalige leider Syd Barrett, en handelend over verlies aan creativiteit en optimisme.’

Alle andere artiesten krijgen er tot slot ook nog van langs.‘Andere artiesten waren ook licht teleurstellend. De cultheld Steve Miller bleek een prettige, gelikte bluesman te zijn met een goede stem – maar weinig meer. Kapitein Beefheart zag er ouder en zieker uit en om de een of andere reden hadden zijn bot schokkende boogies en geestige poëzie verrassend weinig effect op de menigte.’ Waarna Beefheart zich volgens onze man van de Guardian tot het publiek richtte en vroeg:  ‘Zijn hier geen beatniks? Nou, je kunt altijd dronken worden en doen alsof. ‘

Waarschijnlijk arriveerde de reporter van de Guardian te laat, want over Linda Lewis en Roy Harper vinden we niets terug.

Wat schrijven Melody Maker en de New Musical Express?

  • Melody Maker: 12 juli 1975. Chris Charlesworth. Plain sailing for the Floyd.
  • New Musical Express: 12 juli 1975. Steve Clarke & Angy Errigo.  All Board for the Belsen Express
New Musical Express
Melody Maker

Het verslag in Melody Maker (MM) van Chris Charlesworth droeg als titel: ‘Plain sailing for the Floyd’, en viel al bij al nog mee.  Het verslag van Steve Clarke & Angy Errigo in New Musical Express (NME) met als titel ‘All Board for the Belsen Express’ viel eerder te klasseren in de rubriek bagger.  De lezersbrieven enkele weken later in de uitgave van 26 juli logen er dan ook niet om.

Om kort samen te vatten, MM vond dat ‘Het was een redelijk goed georganiseerd eendaags festival. Het weer was prima, maar het was echt een koude dag …. ’ Verder vindt Charlesworth  drie evenementen het vermelden waard: de ambras die Roy Harper veroorzaakte backstage, de twee Spitfires aan het begin van het optreden van Pink Floyd, en de gevechten tussen veiligheidsmensen achter het podium.

NME schreef: ‘Nou, het was in orde een klassieke popfestival. Jezus was daar, hij droeg een schaars blauw zwempak en zwaaide met een grote roze papieren bloem.’

Over het namiddagprogramma vernemen we het volgende: MM schat het publiek op ruwweg 100.000 man, waarvan ‘Naar schatting waren 50.000 onder hen in diepe slaap.’

NME vraagt zich af of het echt zou kunnen dat: ‘in 1975 het idee van 100.000 mensen was om op een leuke zaterdag geld te betalen om urenlang in een veld te kruipen met af en toe een ongelijkmatig muzikaal ritme als voorwerp van deze vreemde ritus?’

Volgens MM werd de lange tijd voor Harper aantrad gevuld met sketches van een als colonel verklede Graham Chapman. Hij kreeg het hard te verduren, wanneer Jesus hem vocaal van uit het publiek attaqueerde. Jesus was een figuur met ontbloot bovenlijf en een hippy bloemenvlag die in die tijd op alle festivals altijd vooraan in het publiek opdook. 

Roy Harper. MM schrijft dat Harper eerst solo aantrad, akoestisch vervolgde en daarna met een excellente band afsloot.  ‘Zijn vroege liedjes waren teveel gejammer voor een openluchtevenement. Niemand wilde huilen, maar Harper deed zijn best om een meer dan trieste sfeer op te roepen over wat een gelukkige gelegenheid had moeten zijn.’

NME vermeldt dat de violen gedirigeerd werden door David Bedford en dat Harper opende met ‘Commune’ en ‘12 hours of Sunset’. Over de sessiemuzikanten die deel uitmaakten van Trigger de begeleidingsband van Harper is NME zeer tevreden. Zij vinden hen zelfs de beste van de dag. ‘Bruford en Spedding schitterden de hele tijd en hun muzikaliteit werd niet geëvenaard door iemand anders die in Knebworth speelde.’

Harper begon nadien te klagen dat zij (het publiek)  zijn plaat moesten kopen of dat dit het einde zou betekenen, en het de laatste keer zou zijn dat ze hem te zien zouden krijgen.

Captain Beefheart & His Magic Band. MM vond Beefheart maar een mopperaar.  ‘Hij mopperde tegen het publiek met raspende stem, over een kakofonie van lawaai dat je zwaar om de oren sloeg en het zond me uiteindelijk weg voor een wandeling door het terrein.’

In NME is alweer het koppel reporters iets minder vriendelijk en onbegrijpelijker.  Zij ontmoeten er twee frontlinie-fanatici genaamd Steven & Chris die uitlegden dat ze helemaal uit Wrexham, Noord-Wales gekomen waren om Beefheart te zien. 

‘De toegift was “Big Eyed Beans from Venus” op een jungle beat van bloedstollend luide proporties.’

Zij vragen zich verder af: ‘hoe hij z’n koel bewaart en die electrische spanning  opbouwt  ‘extremely self-contained in the center of the lunacy.

Ze merken nog op dat Beefheart na het optreden onmiddellijk en gehaast vertrok.

De Steve Miller band. Over Miller zijn ze kort bij MM: het klonk goed en crisp clear over the PA.

NME ziet Steve Miller wel zitten, naar hun oordeel te zien, alhoewel…:  Net als wijzelf merken ze op dat Miller zelfs zijn laatste ‘hit’ The Joker niet eens speelde. ‘Het was 12 bar na 12 bar.’ Tweede gitarist Dudek wordt bewonderd voor zijn slide gitaarspel.  

En ze besluiten: ‘Niet memorabel, maar een professionele set en niemand werd verbrand, en dat is meer dan wat je kan zeggen over de Floyd.’

De Pink Floyd. MM: ‘In het kort, het eerste deel was zwak, “Dark side” scoorde occasionele hoogten, en  “Echoes” was pretty superb. Er waren tuning problems, en vooral Waters krijgt er van langs, wegens zwakke momenten in zijn stem.

Any colour you like, was een van de nummers waarin werd geimpriviseerd, en dat haalt uiteraard de pers.

MM: ‘Any colour you like ontwikkelde zich tot een enorme jam, David Gilmore schitterde vooral op zijn Stratocaster waar hij akkoorden uitwisselde met Waters en Wright, en doorliep een spectrum aan ideeën die niet op de plaat staan.’

NME start met het ok vinden van de Spitfires, maar heeft het vooral over de technische problemen die er waren en vat samen: `voor een groot deel van hun set lag hun spelniveau ver onder hun normale verwachtingen.’

Het eerste nummer Raving & Drooling wordt omschreven als ‘opgehangen rond de herhalingen van een niet al te geïnspireerde riff die klonk als iets gespeeld op een erg zieke Clavinet. Er waren wat rode lichten en het drummen van Nick Mason was volkomen onhoorbaar. David Gilmour voegde wat gitaar toe, het koudijs verscheen en iemand zong wat woorden.’

Vervolgens hoorden zij iemand van de bandleden voor de micro het volgende verkondigen: ‘Het zal beter zijn als het donker wordt’ wat bij hen de gedachte oproept: ‘alsof de band zelf besefte dat het niet zo goed ging.’

You got to be crazy en Shine on you crazy diamond werden dan weer beter bevonden.

In feite schrijven ze niet zo veel over Dark side of the Moon, behalve dan dat: ‘Veel van het zingen vals was, ook al waren de meiden die met de band zongen uitstekend.’

Echoes droeg dan weer wel hun waardering weg. ‘Echoes sloot hun set en dat was het, weer een anticlimax voor een groot buitenevenement.’

Charlesworth (MM) Het was de eerste keer in 3 jaar dat Charlesworth DSOFTM meemaakte. Hij besluit dat de beste keer de eerste keer was in de Rainbow in 73, of 72. Hij wist het zelf niet meer.  Is in onze herinneringen, de 1ste keer, niet altijd de beste keer? (Sadeler)   

In NME kruipt aan het einde van het verslag toch nog een eigenaardige aap uit de mouw. Precies daar waar ze het hebben over het feit dat niemand van de pers frontstage was toegelaten tijdens het concert van Floyd. Wij nemen aan dat dit met de veiligheid te maken had in functie!e van het aan een stalen kabel bevestigde vliegtuigje dat naar het podium toe zou vliegen.

‘Gedurende de set van de Floyd waren er geen journalisten toegestaan in de afgesloten ruimte voor het podium, dus als dit rapport niet zo gedetailleerd is als het zou kunnen, ligt het daar aan.’

Echt?????  Hun slotzin liegt er niet om: ‘Hoe dan ook, veel mensen hadden veel tijd veil en geld om naar Knebworth te reizen om er hun favoriete band te zien tijdens een optreden dat echt behoorlijk schandalig was.’

Lezersbrieven in New Musical Express (NME) (*)

Brievenrubriek NME

* Lezersbrieven: 26 juli 1975. (4) + 1 antwoord van NME zelf, onder de titels Tales of Brave Knebworth.

Twee weken later verschijnen in NME een aantal lezersbrieven. We beschikken niet over een uitgave van Melody Maker uit die tijd, maar hoogstwaarschijnlijk ontvingen ook zij enkele lezersbrieven dienaangaande. 

Vandaag is het eenvoudig om je lof te verkondigen, of je gal te spuwen, over een concert.  Twitter, Facebook, en andere sociale media zijn amper een druk op een toets verwijderd.  In 1975 kon je je enkel richten via een ‘gele briefkaart’ en een heuse brief, en was het bang afwachten of die zou gepubliceerd worden, laat staan of je een antwoord mocht verwachten. We zien dan ook dat NME deze lezersbrieven pas drie weken na het festival publiceert, in haar editie van 26 juli. 

Een eerste reactie komt van ene Janette uit Portsmouth, Hants. ‘Goed gedaan Floyd, je bent nog steeds het beste sinds Super Tampax.’ Jeanette was 21. Maar haar betoog op NME loog er niet om: ‘dagen later was ik nog steeds opgetogen en opgewonden door het concert van Pink Floyd. Die bewolkte donderdag bewoog ik mij naar mijn plaatselijke Newsagent om NME te kopen en zag het onvermijdelijke. Ik denk niet dat ik ooit in al mijn eenentwintig jaar zo’n vooringenomen onzin heb gelezen als bij Steve Clarke en Angie Errigo. Voor wie was dit artikel bedoeld? Zeker niet de 100.000 mensen die Floyd kwamen opzoeken.’

Ze oppert nog dat ze denkt dat ze haar briefjes niet zullen publiceren, maar dat doet NME wel. Wat hun (zie verder) de kans biedt om nog wat meer te sneren, en ‘crap’ te verkondigen.  

Terloops dankt ze ook nog alle andere bands en: ‘voor al het plassen in de struiken en het slapen op het natte gras dat het allemaal de moeite waard maakte.’

De tweede lezersbrief is er eentje van P. Jones uit Gwent in Zuid-Wales. Iemand die reeds verschillende festivals bezocht en daar verslagen over las. Hij vraagt zich af of… ‘ten eerste, waren Steve Clarke & Angie Errigo echt daar, of is het nodig dat de denkprincipes van een verslaggever zich op een ander niveau bevinden dan die van iedereen?’

Volgens deze man lijkt het anders. ‘Het lijkt erop dat verslaggevers groepen vernietigen op basis van technisch kunnen, daar waar ze af en toe de uitvoering zouden moeten beoordelen op basis van de reacties van het publiek.’ Hij voegt er nog beleefd aan toe: ‘We zijn niet allemaal dwazen, weet je!’ De eindopmerking in het verslag van NME lokt bij mijnheer Jones nog de volgende bedenking uit: ‘Ik kan niet anders dan mij afvragen hoe het zou zijn geweest als die heilige verslaggevers tijdens de set van Floyd in de corridors voor het podium waren toegelaten. Dat was tenslotte de enige plaats waar alcohol op de site werd verkocht. Zou het kunnen dat ze daar meer in geïnteresseerd waren dan wat dan ook?’

P. Devonald (Mr.) uit Westcliff-on-Sea in Essex is het eerder eens met de verslaggevers, en beschrijft slechts de moeilijkheden die hij ondervond om het terrein te bereiken: ‘Van 8.30 tot 1.45 onderweg om eindelijk een ongunstig plaatsje te vinden.’

Hij is verder niet te spreken over de toiletten, en besluit dat: ‘Floyd were a dissapointment, and there was lack of organisation’. Kortom een teleurstelling.  Hij is het dan ook al om 23 uur afgebold. 

En dan was er nog ene Nadge uit Plymouth in Devon. Hij dankt de NME voor de uitgebreide recensie. ‘In sommige opzichten was het het beste. Maar waarom is het zo dat de NME nooit van openluchtevenementen lijkt te genieten… Wanneer iedereen ervan geniet en ze een goede recensie geeft, doet NME het omgekeerde en kreunt.’

Nadge (mijnheer of mevrouw) was duidelijk tevreden, blijkt uit de slotzin. ‘Floyd was allesbehalve schandelijk en het was de reis meer dan waard, vooral met de toegevoegde bonus van de uitstekende Steve Miller.’

NME zal zeker een selectie doorgevoerd hebben tussen de talrijke brieven die ze kregen. Dat blijkt althans uit het antwoord dat ze scheven, met hun opnieuw in vitriool gedoopte pen.

M.B. hanteerde de schrijfstok.  Sarcastisch of ironisch? U mag zelf uw besluiten trekken. ‘Nach we houden van optredens in de open lucht .. al dat liggen in de regen, wang tegen wang, met speelse Hells Angels en tachtig pence moeten betalen voor een vettige hotdog en dan twee uur in de rij staan bij het toilet terwijl een gozer met contant geld dreigt met “Op je kop te slaan, Jimmy” omdat je zijn chick neukt en je op zijn plaatsje bent gaan zitten.’

En het gaat maar door…. ‘En wanneer je terugkomt is de Floyd bezig – beste deel. Ze hebben 30 minuten nodig om te tunen, en je denkt om het af te bollen naar huis, maar je kan niet, want de treinen zitten vol, en daarenboven er zijn er geen, en terminale zuurkoppen braken op je boterhammen. Ik bedoel dat is waar het om gaat, is het niet? Mixen met de mensen, man’

Nadge en Jones worden bedankt voor hun helpende suggesties, net als alle andere briefschrijvers die hadden gesuggereerd waar ze hun recensie konden steken, en er bestaat geen anti festival policy bij de NME. ‘We schrijven ze zoals we ze zien.’

Lezen we even mee. In een laatste waardeloze verdediging van zichzelf slagen ze er in om helemaal in de fout te gaan.  ‘In zekere zin, Jeannette was het artikel niet enkel voor de duizenden daar aanwezig, maar een beoordeling voor degenen die daar niet waren, maar we zijn verheugd om brieven over Super Tampax op te nemen – als ze passen.‘ 

De olijkerds hadden geluk dat er in die dagen, nog geen sociale media voorhanden waren, of ze waren waarschijnlijk ‘cut into little pieces’, in mootjes gehakt door de Floyd fans.

Bij het opnieuw lezen van de recensies en de reacties daarop bekruipt ons uiteindelijk de vraag: wat is er geworden van die ‘grote lichten’?

Chris Charlesworth die toen (van ‘70 tot ‘77) voor Melody Maker werkte komen we naderhand tegen als producent van het Who by Numbers album.  De man duikt op als hoofdredacteur van Omnipress vanaf de jaren tachtig tot een paar jaar geleden.  Vooral de namen van Bowie en de Who kun je aan hem linken.  Omnipress was actief in het uitgeven van boeken over muziek.

Angie Errigo schrijft nog over films en werkt o.a. voor RottenTomatoes.  Dit zegt veel. Over haar passage bij de NME valt niets terug te vinden.  Ze schreef ook nog, samen met Steve Leaning, een boek over de kunst van LP-hoezen: The Illustrated History of Rock Album Art. In de weekends naar den Amber en het criterium.

Steve Clarke. In het in googlebooks gepubliceerde deel van The History of the NME: High Times and Low Lives at the World’s Most Famous Music van Pat Long kom ik zijn naam amper een keer tegen.  Mijnheer Google levert verder ook hoegenaamd niets op.  

Laat ons dit NME duo Errigo/Clarke uit 1975 snel vergeten, net als hun met arsenicum geschreven verslag.

In de dagen en weken na het festival krabbelden we  stilaan opnieuw recht en vervielen in de dagelijks sleur van het leven. Elke dag de trein op naar de Brusselse Leopoldstraat, ‘smiddags wandelen naar Mallemunt en genieten van Willem Vermandere, of ‘s avonds kijken naar Tom Rush. Na het werk verpozen in het Poeltje gelegen in de rue Montagne-aux-Herbes Potagères, samen met Betty, een soulmate aan wie ik in geuren en kleuren onze Londense avonturen vertelde. 



1975: Knebworth Festival: Pink Floyd.

Forever Young Posted on 05 jul, 2020 12:53

Londen op een zaterdagochtend.

Ochtend, na het kattenwasje togen we naar het eetzaaltje, waar ons een Engels ontbijt wachtte: eggs and bacon met wat rode bonen, geroosterd brood en English tea. 

We hadden tijd, en wandelden via Earls Court, waar kort daarvoor Zeppelin nog optrad. Onderweg nog een Melody Maker gekocht, waarin ze het over het festival hadden. Onze volgende stap betrof Virgin.  In Melody Maker vonden we het adres van Virgin Mail Order.  Een taxi bracht ons naar Londen South Wharfstreet nr 10, en we hadden het kunnen weten.  “You are here”, riep de taximan, en wij stonden voor een groot grijs gebouw, met een al even grijze deur waarop een plakkaat hing, met nog maar eens Mail Order er op. Een stom verzendhuis dus.   Vandaag zou iedereen er om lachen, maar mail order is een begrip dat letterlijk werd uitgevonden door Branson en zijn Virgin firma. Nadien bleek dat er in 75 in Londen amper een winkel was van Virgin, en al de rest werd verstuurd vanuit dat stomme gebouw in die achterstraat waar wij nu stonden.  Voor hetzelfde geld had die taximan ons ergens in een verre uithoek van de haven gedropt.  Gelukkig bevonden we ons nog op loopafstand van de bewoonde wereld. Er was zelfs in de buurt een platenwinkel, waar ze tweedehands lp’s in de rekken hadden zitten. Free Live, in een kartonnen witte hoes, de Faust Tapes, de eerste twee van de Who heruitgegeven als dubbelaar en de eerste van de Byrds, werden er mijn deel. Het was nog geen middag en dus waren de cafés nog open.  Bij een zwarte medemens dronken we iets. Het begon stilaan tijd te worden om met de metro terug naar het station te sporen.  Onderweg nog een snack gegeten in een onooglijk klein etablissement. De treinen voor het noorden vertrokken vanuit King’s Cross. Er was zelfs een speciale trein richting Stevenage voor de festivalgangers. Amper 1,25 pond voor een ticket heen en terug. In de trein consumeerden we nog wat junkfood. Het was bij halfdrie toen we arriveerden in het station van Stevenage, waar we de bus op konden naar Knebworth. Van het busstation nog enkele kilometer te voet langs landelijke wegen, over droge greppels, naar het eigenlijke festivalterrein bij het kasteel. Onderweg, stond er een caravan opgesteld, waar we onze kaarten kochten. drie pond zeventig. We vervolgden de stroom volk tot bij het terrein.  Zo moet het geweest zijn, langs de paden die naar Woodstock leiden.  Voor en achter je zag je mensen stappen zo ver je kon kijken.  We kwamen aan in de speeltuin van Freddy Bannister.  

Freddy Bannister is Knebworth

Ik heb altijd al een boon gehad voort Freddy Bannister.  Hij behoorde tot de categorie concertpromotoren waartoe ik bij ons Paul Ambach reken.  Een totaal andere categorie dan deze waar de op geld beluste Schuur toe behoort.  Iedereen heeft het alsmaar over het feit dat hier in België de beste festivals plaatsvinden.  Dat is best mogelijk wanneer je het bekijkt vanuit het standpunt van de artiesten, maart dat is zeker niet zo bekeken met de ogen van de doorsnee festivalganger.  Mijn beste festivals heb in beleefd in de UK, ondermeer dankzij Bannister.

De man is nog geen jaar geleden op 84 jarige leeftijd overleden aan de grote C.  Na 1980 deemsterde het wat rond zijn figuur, en dat was onder meer ‘te danken’ aan Peter Grant, die andere grote uit het Britse concertseizoen, naar wie zelfs een management’s prijs werd vernoemd.

Bannister was in 1975 net de veertig gepasseerd, toen hij Pink Floyd naar de kasteeltuin bracht in de buurt van Stevenage.

Hij was de man die het Bath Festival, o.a. bekend van de legendarische Led Zeppelin optredens, uit de grond stampte.  Het festival waar de latere organisator van Glastonbury de mosterd haalde.

Voluit heten die Bath evenementen het Bath Festival of Blues 1969 en het Bath Festival of Blues and Progressive Music 1970 

Tussen ‘63 en ‘69 bracht hij naar het Bath Pavilion o.a. Gene Vincent, de Stones, Cream en de Beatles. Neem daar nog Hendrix, de Who, Pink Floyd en de Yardbirds bij en je hebt een palmares dat niemand anders kan voorleggen.  

Het Bath festival trok in ‘70 reeds tussen de 150 en 200.000 man aan.  Vergeet niet dat dit klein bier was tegenover de festivals die op het eiland Wight plaatsvonden en waar in navolging van Woodstock een halfmiljoen jongeren samenkwamen.

Van ‘74 tot ‘ 79 richt hij zeven keer een Knebworth festival in. Het zet hem op de wereld festivalkaart. Bannister haalde naast Britse topattracties vaak het kruim van de Amerikaanse Rock naar Knebworth: Lynyrd Skynyrd, Zappa, Captain Beefheart, de Steve Miller Band en zeker ook de Allman Brothers Band.  Stuk voor stuk topacts die het ook bij ons in Den Amber goed deden, en tijdens de reünie party’s het nog altijd goed doen.

Dat het aan het eind van de jaren 70 ophield is geheel en al te wijten aan de twee optredens die in 79 plaatsvonden van Led Zeppelin.  Het was Peter Grant die toen het onderste uit de kan wilde hebben en daarom eiste dat er twee weekends na elkaar een optreden van zijn band zou plaatsvinden.  Helaas raakte dat tweede weekend niet volledig uitverkocht, en dat leidde tot een hevig dispuut tussen het Zeppelin management en Bannister’s firma Tredoar.  Grant beweerde dat er veel meer tickets waren verkocht dan Bannister toegaf, en beweest dit zelfs met luchtfoto’s die hij had laten nemen van het festivalterrein, en waarop hij veel meer aanwezigen spotte dan Bannister.  Hij haalde het pleit, en Bannister’s firma ging failliet.  Wie had gelijk?

Bannister stond voor ‘een eerlijke prijs’ wat leidde tot ticketprijzen waarvan wij nu achterover vallen. Voor Pink Floyd en alle andere acts die dag (Roy Harper, Beefheart, Steven Miller, Linda Lewis, de Pythons) betaalden wij ter plaatse aan de kassa amper 3,70 pond.  

Veel meer valt er te lezen in de in 2003 uitgebrachte autobiografie van Bannister.

Het concert

De eerste aanblik toen we het terrein opstapten waar Roy Harper & Trigger net hun set waren begonnen was er een van ongeloof.  Hier kon Bilzen bij wijze van spreken tien twintig keer in.  Voor het eerst zagen we 100.000 mensen op een hoop.  Voorin geraken dat was uitgesloten.  We zochten ons een plekje halverwege, niet zo ver van waar het geluid gemixed werd, en waar een hoge piloon stond opgesteld, waaraan een klein (twee a drie meter) vliegtuigje was bevestigd. 

Onze plaats vormde geen probleem voor het geluid.  Dit was immers het eerste concert waar quadrofonie werd toegepast.  Quadro was totaal nieuw in die dagen en het zou in de toekomst alle stereospelers naar de achtergrond verdringen.  Maar zoals zo dikwijls met uitvindingen van Philips of Sony, liep, dat verkeerd af.  Op het festivalterrein stonden dus niet alleen naast het podium, maar op de vier hoeken van het terrein geluidsboxen opgesteld, om het quadrofonie geluid naar onze oren te sturen. Vanaf de piloon met het vliegtuigje was er eer kabel gespannen die naar het midden van het podium liep. Dat zal zeker een bedoeling hebben dachten we nog. 

Later zal blijken dat Harper  op Knebworth niet zijn beste concert weggaf. Wie Roy Harper een beetje kent weet dat hij eigenwijs kan zijn.  Zijn set uit drie delen paste in feite niet op een festivalterrein van die omvang.  Zeker niet omdat hij in het begin akoestisch speelde, en vervolgens zelfs strijkers en dergelijke meer op het podium haalde.  Zijn nummers die eerder aanzetten tot weemoed dan vreugde, sloegen niet aan bij het publiek. Wat daarna volgde, elektrisch, met Trigger kon er beter door.  Voornamelijk te danken aan het gitaarspel van Chris Spedding en de drumkunsten van Bill Bruford.  Van Trigger die hem hadden begeleid op HQ uit 1975 werd later niets meer vernomen. Wat vrij logisch is, als je bedenkt dat het een band was die samengesteld was uit sessiemuzikanten, die snel na Knebworth andere aanbiedingen kregen.

Harper zat na HQ en de erbij horende toernee ongeveer aan de grond.  De toernee sloeg een gat in zijn geldkist, en het album sloeg al evenmin aan.  Wat hem in zijn aankondigingen tot enkele wrange uitspraken aanzette.  Bovendien bleek later via de recensies in de muziekbladen dat hij nog net voor hij het podium betrad zijn caravan had kort en klein geslagen, omdat de taxichauffeur die hem bracht er van,door was met zijn podium outfit nog in de koffer.  Enkele backstage medewerkers konden er hem nog net van weerhouden of een tweede caravan onderging hetzelfde lot.

Na Roy Harper was het de beurt aan Captain Beefheart en zijn Magic Band. Ik noteerde achteraf: niet slecht.  Waarschijnlijk omdat ik in die dagen niet echt een fan was van Don van Vliet, noch van Zappa, uit wiens stal deze verkaste Nederlander kwam, die nog ooit de Nederlandse studio van Sjef Van Oekel  deelde met, toen nog charme zangeres, Cindy (Nelson). Tijd om wat hotdogs te scoren.  Op een van de kramen, waarvoor een rij van wel 100 meter stond aan te schuiven stond dat ze hamburgers verkochten.  Bleek dat de Engelse hamburger helemaal geen hamburger was, zoals bij ons, maar een ordinaire curryworst.  Andere landen, andere gebruiken, andere taal. 

De Steve Miller Band begon zijn set met enkele boogie nummers, waardoor het publiek voor het eerst recht veerde. Living in the USA, Space Cowboy en meer gingen er vlot in. Achter de drums zat Doug ‘Cosmo’ Clifford de ex drummer van CCR. 

In mijn geheugen staat vooral Stagger Lee gegrift, en uiteraard ook nog Rock’n Me, het laatste nummer voor hij afsloot met Come On in My Kitchen van Robert Johnson. Ik geef toe dat wij in die dagen Robert Johnson nog echt moesten ontdekken. 

In de daaropvolgende pauze van een uur was het wachten op dat waarvoor we gekomen waren. 

‘John Peel’ die samen met ‘Pete Drummond’ (beiden van Radio One) de presentatie verzorgde, sprak klokslag kwart voor negen de magische woorden: “We have now a lift off with the Pink Floyd”. Het werd stil, en al snel scheurden twee Spitfires over het terrein. Hoorde dat erbij?  Was dit puur toeval?  Iedereen staarde verbaasd naar de hemel, waardoor niemand oog had voor wat zich op het podium afspeelde, waar de heren intussen hadden plaatsgenomen. 

Het was geen toeval. Het hoorde er bij. Dit is wat Freddy Bannister er over vertelt: ‘Ik was gevraagd om twee Tweede Wereldoorlog Spitfires te boeken voor de Floyd en ik had contact opgenomen met wijlen Neil Williams om ze te leveren’ vertelt de promotor verder.

Het was de bedoeling dat deze twee vliegtuigen zouden opstijgen op Luton Airport en stipt om kwart voor negen laag over de bomen zouden scheren om daarna recht de lucht in te schieten. 

Bannister zat in zijn kantoortje achter het podium, aan elk oor een telefoon, om te coördineren tussen de controletoren van Luton en het podium.  Het opstijgen van de vliegtuigen werd eerst met tien minuten uitgesteld, maar kon toch doorgaan. Bannister belde de sprekende klok om de timing in het oog te houden. Het duurde immers een aantal minuten eer de vliegtuigen vanuit Luton Knebworth zouden bereiken.

Freddy vertelt: ‘Net toen de pips van de sprekende klok gingen en de twee Spitfires achter het podium verschenen en met perfecte symmetrie omhoog trokken in een verticale klim, maakten de Rolls Royce Merlin-motoren het soort geluid dat de haren achter in je nek doet opstaan. Helaas ook dat is rock’n roll’

En Oh My God, daar waren ze…. goddelijke klanken vervulden de wat koeler geworden avond.  

In het eerste deel van hun set brachten ze drie gloednieuwe nummers. Ze openden met ‘Raving and Drooling’ en ‘You gotta be crazy’. Typische Floyd sound.  Pas enkele jaren later zullen we die twee openers in een afgewerkte vorm leren kennen op Animals, als respectievelijk ‘Sheep’ en ‘Dogs’. De mannen achter de geluidstafel hadden ruimschoots de tijd gekregen om de knoppen af te regelen. Ik neem aan dat dit niet zo eenvoudig was met de quadrofonie opstelling. En er waren problemen met het geluid.  Al voor het optreden hadden ze moeten sleutelen om de klank van het orgel goed te krijgen.  De stroomgeneratoren en eigenlijk de volledige PA was niet direct voorzien op een festival van sterfelijke omvang.  En orgels willen nogal eens valse klanken produceren, wanneer de stroomvoorziening niet correct is afgestemd.  ‘Alquin’ had er in Bilzen ook ooit last van, en tapte dan maar stroom af bij een woonhuis van de buren. Wie naar een van de schaarse bootlegs (opgenomen vanuit het publiek) luistert hoort hoe op een gegeven ogenblik het concert bijna een minuut wordt stilgelegd tijdens die eerste nummers, en hoe Waters klaagt. 

Het derde nummer dat op hun volgende album zou komen was gewoon goed: ‘Shine on you crazy diamond’.  Een nummer opgedragen aan Syd Barrett. 

Achter de Floyd hing een enorm cirkelvormig scherm. Er werd een enorme diamanten bol op vertoond.  Je kent ze wel uit de discotheken. De draaiende bol leverde een weelde aan sterren op. Hoe donkerder het werd, hoe beter we de muziek begonnen te vinden, en hoe beter die ook werd.  Het eerste deel zat er op, en ze hadden amper drie nummers gespeeld. Iedereen maakte zich op voor wat komen ging, want wie verslagen had gelezen over de afgelopen toer, wist min of meer wat we mochten verwachten. In de donkerte rondom ons begonnen stilaan hier en daar hasjdampen op te stijgen.

Zuiver quadrofonisch klonken plots van alle kanten de bekende hartekloppen die de Dark Side of The Moon inzetten. Op het scherm verschenen filmbeelden, die aansloten bij de muziek.  Dit was het helemaal. We kregen DSOTM compleet. Een superb concert, zowel wat effecten als muziek betrof. Al hadden de stemmicrofoons wat beter afgeregeld kunnen worden. ‘Breathe’, de max, en dan ‘On The Run’, waarbij plots het vliegtuigje zich van de piloon losmaakt en traag maar zeker richting podium vliegt, waar het als het ware in het scherm explodeert. Een vuurwerk, en dampen van koud ijs wolken omkaderen de heren van de Floyd. 

Dit was gewoon de max. Pink Floyd is het, schreef ik toen enkel dagen later. Ik denk dat we iets unieks hebben meegemaakt. “Yes, Knebworth happened” besluit een week later ook het verslag in Melody Maker. Tijdens ‘Any color you like’ was er wat improvisatie. ‘Money’ en ‘Us and Them’, waren het einde dankzij een ons onbekende saxofonist!st. Zelfs de engelenstemmen van de meisjes waren niet te versmaden.  Tijdens ‘Brain Damage’ zagen we op het scherm een reeks foto’s van staatshoofden, begeleidt door gelach, en die nogal rare bewegingen maakten de revue passeren.

Stilaan werden hier en daar op het terrein vuren aangestoken (toen kon dat nog). Het einde zat er aan te komen, of toch nog niet. We hadden nog een bisnummer tegoed, en wat voor een: ‘Echoes’ uit het album ‘Meddle’.  Volle 25 minuten gaven ze nog het allerbeste van zichzelf.

Kwart voor twaalf, precies drie uur later bleven we wat verweesd staren naar het podium.  Vergeet niet, dat dit voor ons een eerste keer was, dat we dergelijk evenement meemaakten.

Meer info op:

https://www.neptunepinkfloyd.co.uk/memories-of-knebworth-1975-by-freddy-bannister
http://www.ukrockfestivals.com/75-Knebworth-festival.html

Knebworth 1975 setlist

Pink Floyd

Sheep (Early version, known as “Raving and Drooling”)

Dogs (Early version, known as “You Gotta Be Crazy”)

Shine On You Crazy Diamond (Parts I-V)

Have a Cigar (with Roy Harper)

Shine On You Crazy Diamond (Parts VI-IX)

“The Dark Side of the Moon”

Speak to Me

Breathe

On the Run

Time

Breathe (Reprise)

The Great Gig in the Sky

Money

Us and Them

Any Colour You Like

Brain Damage

Eclipse

Encore: Echoes

Roy Harper + Trigger

Acoustic/Orchestra

Commune

Twelve Hours of Sunset

Another Day

Electric

Hallucinating Light

Referendum

Highway Blues

Too Many Movies

The Spirit Lives

Home

The Game

Grown Ups Are Just Silly Children

Steve Miller Band

Feel So Glad

Mercury Blues (K.C. Douglas cover)

Boogie Children

Freight Train Blues

Stagger Lee (Grateful Dead cover)

The Window

Living in the U.S.A.

Space Cowboy

Shu Ba Da Du Ma Ma Ma Ma

Rock’n Me

Come On in My Kitchen (Robert Johnson cover)

Captain beefheart & his Magic band

Moonlight on Vermont

Abba Zaba

Orange Claw Hammer

Dali’s Car

When It Blows Its Stacks

My Human Gets Me Blues

Alice in Blunderland

Beatle Bones ‘N Smokin’ Stones

Gimme Dat Harp Boy

Electricity

I’m Gonna Booglarize You Baby

Sam With the Showing Scalp Flat Top (Frank Zappa & Captain Beefheart cover)

Improvisation: Big Eyed Beans From Venus

Bronnen:

Wikipedia

Ongepubliceerde dagboeken Sadeler

https://www.neptunepinkfloyd.co.uk/memories-of-knebworth-1975-by-freddy-bannister

Vervolgt…



1975: juli – op weg naar Londen

Forever Young Posted on 03 jul, 2020 21:28

Bij het begin van het eerste weekend van juli 1975, richtten we onze schreden richting Londen. De trein van tien voor acht in Aalst sloot precies aan op de boot die we in Oostende zouden nemen. Guido en ik werden door vader Cyriel met de auto naar het station gebracht. Onderweg pikte we Hans nog op. Martine zou direct naar het station gekomen. Zij arriveerde al van bij het begin aan de late kant. In Oostende werden we met het eerste obstakel op onze weg geconfronteerd. Martine constateerde dat ze inderhaast haar identiteitskaart thuis op de keukentafel had laten liggen. Precies naast het papier dat haar vader voor haar had laten machtigen op het gemeentehuis. In die dagen mocht je pas alleen reizen wanneer je boven achttien was. Met een machtiging van je ouders kon het wel.  

De douanebeambte keek bedenkelijk, en gaf te kennen dat er niets aan te doen was. “Ze zullen je in Dover, terugsturen” verkondigde hij.  Zeggen dat de tranen haar in de ogen stonden is een understatement.  Ook de douanebeambte  zag he. Hij maande ons aan om ons wat opzij te zetten en te wachten. Wachten op wat komen ging.  Was het omdat het pas vakantie was? Was het omdat de zon scheen? Was het omdat ze zo zielig keek? “Weet je wat”, zei die, “zeg gewoon in Dover dat je je pas verloren hebt op de boot”. Voor hem was het probleem hiermee duidelijk van de baan. Wij konden alle vier samen de boot op.  Of we ongerust waren over wat in Dover zou gebeuren?  Ik denk dat we in onze jeugdige overmoed al hadden besloten dat deze oorlog was gewonnen. Nieuwe obstakels doken op.

Voor het eerst op een groot schip, dat niet alleen op en neer ging, maar ook nog eens van links naar rechts “stampte”.  Jong als we waren stoven we onmiddellijk naar de bar achter in het schip.     Precies daar zagen we door de vensters de ene minuut de zee, en de andere minuut het wolkendek. We kregen er zowaar een brok van in de keel van.  Dit zat niet goed. Guido zag zo wit als een doek. Op naar buiten bij de reling waar de frisse wind gelukkig soelaas bracht en we ons wat beter voelden.  Viereneen half uur op dat schip, het leek een eeuwigheid.  Later heb ik ervaren dat je zeebenen krijgt wanneer je maar vaak genoeg het sop trotseert. 

“I lost my pasport on the boat” Er was niet veel tijd om te onderhandelen, want schepen varen op uur. En eigenlijk zonder veel poeha mochten we door.  Jaren later maakte ik een zelfde situatie mee, toen ik die kleine ‘witte kaartjes’ van mijn kinderen niet bijhad, en ook dan Engeland in mocht.  Na Brexit zou ik het toch maar niet meer wagen om papierloos te reizen.

In Dover stapten we naadloos over in een wachtende trein die ons in een uur en twintig minuten naar Victoria Station bracht. Het was precies vier uur toen we het station uitliepen. Martine wisselde ergens geld, en we togen richting Kings Road, waar de Harlequin Record Shop was gevestigd. Volgens de NME verkochten ze daar kaartjes voor het concert van Pink Floyd in Knebworth. Geen kaartjes meer in voorverkoop. De verkoper klonk overtuigend in zijn boodschap, dat er aan de ingang nog wel tickets zouden zijn.  De tijden van toen zijn niet meer te vergelijken met vandaag. Harlequin was voor ons een winkel, waarvan we hoopten dat het manna er uit de hemel zou vallen. Het mekka van de platenwereld, in niets te vergelijken met  de ons overbekende platenzaak in de Aalsterse Lange Zoutstraat van D. Kiekens. We liepen naar buiten, elk met een rist lp’s onder onze arm. Recht naar een café waar we zonder verpinken ‘four Guinness’ bestelden.  Mijn eerste Guiness, en tot op vandaag mijn laatste. Gitzwarte stout was het. Onmiddellijk gaf ik mijn vroegere schoolgebouwen gelijk die enkele jaren eerder beweerden dat het bier, over de plas, niet was te drinken. 

Te voet slenterden we door Sloane Street richting Hyde Park. Onderweg vroeg Guido, nog de weg aan een typische boldragende inboorling. De man was de ‘spitting image’ van John Cleese in zijn Silly walks tijd. “Wot, wot?”, samen met gefronste wenkbrauwen was de enige repliek op het waarschijnlijk al even onverstaanbare Engels van onze kant.  Dus besloten we maar om over te schakelen naar de Kings English, wilden we een plaatsje voor de nacht vinden. In een nabijgelegen TIC (Toerist Information Centre) boekten we een kamer ergens in Kensington. Met een taxi, spotgoedkoop, lieten we ons naar het Bina  Hotel voeren. We kregen een sleutel en konden dus de rest van de avond de deur uit.  Zonder Hans, want die voelde zich moe, en zocht zijn bed op. Waarschijnlijk genietend van alle teksten op de lphoezen van zijn net gekochte lp’s.

We namen de Tube, richting Soho.  Enkele jaren eerder waarschuwde Picture Card, onze leraar Engels, ons nog dat je beter niet alleen kan gaan ronddwalen in Soho. Wij wisten vooral dat Soho pas echt Londen was.  Soho, waar  Carnaby street en alle andere heiligdommen te vinden waren. Waar ooit de Rolling Stones, Beatles en Jimi Hendrix ronddwaalden.

The Marquee in ‘76

Plots stonden we voor de deuren van de Marquee. Een beetje zoals Eddie & The Hot Rods later op de foto van hun eerste eepee. We stoven er binnen, en stonden al even snel weer op straat. Het was vijf voor elf.  Vooraan waren enkele roadies het podium aan het leegmaken, en er dook iemand van bij de toog op voor onze neus.  “Sorry we are closed, come back tomorrow”.  Jaren later zal ik een boek waarin alle concerten van de Marquee staan opgelijst ontdekken dat precies die avond Tim Hardin er had gespeeld. 

In arren moede hebben we ons toen aan een drankstalletje een cola gekocht, want nergens kon je naar binnen. Cafés waren dicht, omdat het na elf was, en waar het wel open was bleek het telkens om een privé club te gaan, ‘members only’.  Londen viel ons voor het eerst toch wat tegen.  Bij het buitenkomen uit de Marquee waren we nog getuige van een twist tussen een buitenwipper en een grote zwarte medemens, die elkander allerlei scheldwoorden toeriepen en verder het hielden bij wat trekken en duwen. Geklopt of geslagen, zoals bij ons na een avondje ambras, kwam er niet aan te pas.  Het leek wel of die Engelsen zelfs ambras maakten op een hoffelijke gentlemen’s manier. Het was twee uur wanneer we weer in het Bina hotel kwamen waar Hans de slaap al lang had gevonden.  Morgen de grote dag.

Vervolgt…..



1975: Juni – concerten

Forever Young Posted on 01 jul, 2020 01:17
Antwerpen: Arena Hal 6 juni 1975

In juni ‘75 werden in den Amber tussen pot en pint plannen gemaakt om het eerste weekend van juli naar Londen te gaan. Platen kopen en een concert proberen mee te pikken van de Pink Floyd. Hans, Guido, Martine en ik stelden onszelf de vraag: “Doen we het? Ja? OK”. “Dat is dan afgesproken.”  

Woodstock

Eind mei hadden we nog samen, met alles wat lang haar had in Aalst, op de koer van de Tuf naar Woodstock gekeken. De film werd er levensgroot geprojecteerd op de muur, voorzien van geluid uit concertboxen.  Hierdoor kreeg het geheel een extra dimensie. Een heel andere beleving dan toen we de film voor het eerst zagen in 1970 in cinema Palace (of was het Feestpaleis). Een belevenis die heel wat gasten uit ons toenmalige klas niet konden smaken.  Voor het eerst een film met splitscreen, wat extra inspanning vroeg, en uiteraard muziek waar de meesten voor het eerst mee werden geconfronteerd. Hier op het plein naast de Tuf zat het anders. Hier waren gelijkgestemde zielen aanwezig, die tenminste van hetzelfde soort muziek genoten. Een stap dichter in de ultieme belevenis van het evenement.  Vergeet niet dat de meesten tot dan toe amper een paar duizend man hadden samen gezien, ergens op een wei in Bilzen, of in het Antwerpse Sportpaleis.  

Roland

De 21ste juni trad Roland op in de Parnassos te Denderleeuw. De Parnassos was een jeugdhuis langs de oude baan tussen Denderleeuw en Ninove. Eigenlijk niet meer dan een normaal woonhuis, waar ze in de ‘voorplaats’ een toog hadden neergepoot en via een verhoogje van twee vierkante meter suggereerden dat er een podium was.  Roland trad er alleen op. Voor wie Roland kent, was dat redelijk normaal in die dagen. De ene week was hij ‘de leider’ van de Blues Workshop, de andere week bestond die Blues Workshop weer in een andere samenstelling, en soms bolde hij ergens  heen in zijn eentje, in zijn R4’ke, zoals die avond naar de Parnassos. Het betekende zeker niet dat hij op dergelijke avonden enkel akoestisch speelde.  Hij had zijn ‘gerief’ mee.  We zagen hem nog na het optreden vertrekken, en geloof mij, hij had moeite om nog plaats te vinden achter het stuur. Zo volgestouwd had hij dat kleine autootje.

Uriah Heep

Embed from Getty Images

6 juni rij ik In mijn eentje op een doordeweekse avond richting Arenahal in Deurne.  Ik kan mij niet echt meer herinneren waarom niemand mij vergezelde. Was Uriah Heep niet meer hip voor de anderen? Was het vet er wat van af? Doet het er nog toe? In mijn archief hou ik een flyer bij van dit concert en de bijhorende toernee.  Even googelen naar een eventueel concertverslag leert mij, dat over die fameuze Arenahal in Deurne bijzonder weinig is terug te vinden. Laat staan over Uriah Heep in België in 1975.  

Enkel de Waalse tegenhanger van Humo Telemoustique bracht in haar nummer 2576 een kort verslag. ‘The Heep presenteerden een show zonder haperingen, heerlijk goed geregeld. Heel slim wisselden ze oude en nieuwe nummers af: hun laatste, “Return to Fantasy”, doet zijn naam eer aan en deed het goed, dank je.’

In hetzelfde nummer vertelt zanger Byron nog aan Jean-Noël Coghe wat de belangrijkste ambitie is van Uriah Heep: ‘Onze belangrijkste ambitie is om het rockniveau te verhogen door het een bepaalde betekenis te geven, vooral op het niveau van de teksten. Om deze reden zijn we Uriah Heep en geen andere groep: kracht in het ritme, kracht in de teksten … rock werd tot nu toe alleen beschouwd als muziek, een zinloos ritme, dat alleen van belang voor het geluid.’ 

‘Voor Uriah Heep zijn teksten en melodieën twee essentiële dingen. We moeten agressieve muziek spelen, maar gebalanceerd door de melodie. Dit is ongetwijfeld wat ons een deel van onze originaliteit geeft.’

Afgaande op mijn eigen herinneringen zie ik een podium waarop een kronkelende op zijn rug liggende gitaarspelende ‘Mick Box’ geniet van het ogenblik, met naast hem een behoorlijk goed zingende ‘David Byron’.  Die twee, samen met ‘Ken Hensley’ zijn jarenlang de nucleus geweest van Uriah Heep. Drum en bas gingen bij manier van spreken bij elke plaat over in andere handen. In de ‘75 versie waren dat ‘John Wetton’ en ‘Gary Thain’.  

Vandaag heb ik het niet meer begrepen op Uriah Heep waarin enkel nog Mick Box zit.  Ken Hensley trad jaren nadien, soms samen met John Wetton, nog voor het voetlicht (zie More Than Conquerors uit 2002).  Wat zij toen presteerden, was duizend maal beter dan wat ‘de echte’ Heep van Box neerzette.  Hensley was overigens auteur van heel wat van het beste uit de eerste Heep periode.  Ken Hensley kwam oorspronkelijk uit de ‘Gods’ die met ‘My baby’s Rich’ zelfs een klein hitje scoorden. Hun ‘Hey bulldog’ cover van de Beatles deed het dan weer iets minder.  In de Gods zat ooit ook nog een jonge ‘Mick Taylor’, zij het niet gelijk met Hensley. Een wistjedatje…. in de kringwinkels liggen heel wat lp’s waarop David Byron covers zingt van bekende hits.  Iets wat de onbekende Reginald Dwight ook deed, kwestie van een zakcentje bij te verdienen. Kijk uit naar platen in de reeks ‘Top of the Pops nummer zus en zoveel’.  Helaas werden er nooit credits op die hoezen vermeld. Je moet dus aan stemherkenning doen.

Het concert.

In Deurne was het eerste deel van de set nagenoeg opgebouwd rond hun nieuwste worp: ‘Retun to Fantasy’.  Heep zette gewoonlijk hun toernees op in functie van de promotie van hun laatste plaat en dat was tijdens de ‘75 Europese toernee niet anders. Achter hen een levensgroot scherm met afbeelding van de hoes.  Een hoes overigens ontworpen door ‘Dave Field’. Field is eveneens verantwoordelijk voor enkele andere zeer mooie hoezen, waaronder eentje van Satus Quo.  Op het Quo album groeien de koppen van de leden als het ware uit een aantal verstrengelde wortels van een boom. Ook ‘Next’ van de ‘Sensational Alex Harvey Band’ is van zijn hand net als ‘Razamataz’ van ‘Nazareth’. De man leek vaak voor Vertigo te werken.

Bij de eerste vijf nummers zitten er maar liefst drie uit Return to Fantasy. Daarna wordt geput uit nagenoeg alle lp’s die ze daarvoor maakten. De helft van de setlist is terug te vinden op ‘Uriah Heep Live’ het in ‘73 in Birmingham opgenomen schitterend live album. Te beginnen met het magistrale 9 minuten durende ‘July Morning’, nog altijd een van onze favoriete nummers. De hitsingle ‘Easy Livin’, werd onmiddellijk gevolgd door ‘Sweet Lorraine’ en ‘Gypsy’. Ze sloten af met twee tracks uit ‘Look at Yourself’: ‘Love Machine’ en als toegift ‘Look at Yourself’ zelf.

Volgens Telemoustique waren er op zeker ogenblik nogal wat strubbelingen voor het podium toen enkele kleerkasten, die de frontstage bewaakten, een zestienjarige fan hardhandig aanpakten.  Als dat al zo was is deze schermutseling bij ons in de mist van de tijd opgeslokt.

De Setlist: Antwerp 6 juni 1975

* Devil’s Daughter / 75

Stealin’ / uit Sweet Freedom 73

Suicidal Man / uit Wonderworld 74

* Shady Lady / 75

* Prima Donna / 75

Rainbow Demon / uit Demons and Wizzards 72

July Morning / uit Look at yourself 71 en Live 73

* Return To Fantasy / 75 

Easy Livin’ / uit Demons and Wizzards 72 en Live 73

Sweet Lorraine / uit The Magician’s Birthday 72n en Live 73

Gypsy / uit very eavy very umble 70 en Live 73

Bird Of Prey / uit Salisburry 1970

Love Machine / uit Look at yourself 71 en Live 73.

Look At Yourself / uit Look at yourself 71 en Live 73

Nummers met * zijn uit Return to Fantasy.

11juni: In het station in Aalst aan het Internationaal loket haal ik mijn biljet op bestemming Londen…… wordt vervolgd.



1975: nieuwjaar in Den Amber.

Forever Young Posted on 22 jun, 2020 22:04

Met vijftien waren we die dinsdagavond, oudejaarsavond 31 december 1974. We stonden aan de vooravond van wat mogelijks het beste jaar uit onze muziekgeschiedenis is geworden. Vijftien jongeren uit een los collectief van om en bij de twintig die elkaar regelmatig tegenkomen. Iets wat vanzelf groeit, eens je wat ouder werd, en je begint te verplaatsen op vier wielen. Kameraden uit de buurt vallen weg en transformeren tot jonge gezinnen. Het uitgaansleven in de seventies speelde zich af in nabijgelegen steden en in die dagen ook in boerengaten, gelegen in de buurt van het hol van Pluto. Geloof mij wij kenden al die plaatsen. Gewoonweg omdat we ze allemaal aandeden, die plaatsen. En er was altijd wel iemand die weer een nieuwe uitdaging had gevonden. Vooral ‘Freddy en Willy’ waren op zondagnamiddag cracks in het vinden van dancings met namen die ook toen al tot de verbeelding spraken. Ter Doest in Waregem of de Popcorn in Vrasene zijn maar enkele plaatsen waar we dankzij ‘De Fred en de Kleinen’, zoals ze in ‘ons milieu’ gekend waren, ooit binnenliepen.
Het kan niet anders geweest zijn, of we zijn ze tegen het lijf gelopen te Oordegem in de Bokkenstory of de Jacky’s Club. Oordegem lag en ligt nog altijd halverwege tussen Aalst en de Gentse banlieues. Melle en Gontrode waren hun thuisbasis, van waaruit ze afzakten. De Fred met zijn al wat oudere Ford, en de Kleinen, die een jaar of vijf ouder was dan de rest van ons, met zijn ‘Mini’ke’. ‘Een echte Cooper’…. sprak hij ooit de magische woorden. ‘Plakt aan de weg’. Dat was tijdens een ritje op de zich door de dorpen slingerende Geeraardsbergse Steenweg ergens tussen Melle en Sint-Lievens-Essen. Nadien ben ik er nooit meer ingestapt. Een keer was voldoende. Ik geloofde hem op zijn woord, en ik moet bekennen, dat ik nooit geweten heb dat hem iets is overkomen. Het probleem, was dat het altijd rustig startte, maar eindigde met veel teveel pinten op.
Een verhaal waar ik zelf geen getuige van was, maar dat er zeker mag zijn omdat het typeert hoe wij in die dagen onze vrije tijd beleefden. En ook omdat ‘Den Amber’ er een vooraanstaande rol in speelt.
De Polle, de Rie, de Fred en de Kleinen, Guido, William van Wanzele, Wilfried en Brigitte, de Cois en zijn lief Lea samen met haar zus Marleen, Paul en Sonja, besluiten in de Bokkenstory om richting Essen te bollen. De Truweel, de Witte Hoeve en Discovaria waren toen en al jarenlang uitgelezen locaties voor de boerenzonen uit de omliggende parochies om er zich een lief te zoeken. Decennia later zullen zelfs tv-stations documentaires weiden aan dit fenomeen.
Jaren lang was de Truweel een danskot, waar wekelijks een of ander balorkest ten dans speelde. The Garnets, de Paramounts beleefden er gouden jaren, net als de uit het nabijgelegen Zottegem komende Clee’s Five. Deze laatsten namen er eind jaren zestig een nu gezochte live lp op. Clee’s Five met in hun rangen de zangeres Kate. Ja die van haar latere Kennel.
Het moet in de beginperiode van de seventies geweest zijn, dat de balorkesten verdwenen en vervangen werden door een ‘mechanische installatie’ of in het beste geval door een disc-jockey, die van dan af ‘de sound’ bepaalde. Op die manier ontstond er een duidelijk onderscheid in het aanbod in de Truweel en de Witte Hoeve, die zich richten op een danspubliek en met graagte de Three Degrees, O’Jays en Penny MacLean omarmden. Plaatsen waar ‘the hustle’ de dansvloer vulde. In de Discovaria, later omgedoopt tot Lennon, en in het Kelderken op het dorp zaten naar onze bescheiden mening stukken betere dj’s. Marlene van Kevin Coyne, Stand by me van Lennon en I’m a Believer van Robert Wyatt waren er regelmatig te horen.
Begrijpelijk dus dat er in Sint-Lievens-Essen nogal verkast werd tijdens een uitgaansavond.

En zo werd het 1 januari 1975.
‘s Namiddags kweet ik mij van mijn ‘roadie’ taak: we haalden de discobar op in Ter Vaerent, plaatsten die opnieuw in de Lelie te Lede. ‘s Avonds waren we opnieuw present in Oordegem, zij het met iets minder van de bende. De meesten hadden weinig zin, om na de nachtzitting van de dag er voor opnieuw te feesten. Willy was zijn vest vergeten in Essen, en de meesten vonden dit niet direct de moeite om hem te vergezellen. Enkel Guido reed mee.
Pas enkele dagen later kregen we het vervolg van die avond te horen. Na Essen, waren ze via de Miranda (bestaat nog altijd) naar Aalst naar den Amber gebold, om er aan de toog nog de nodige pinten te consumeren, tot het voor de Fred laat begin te worden. Vergeet niet dat elk van ons de volgende dag nog een zware dag voor de boek hadden. Een eerste werkdag in die dagen was ‘feesten als de beesten’ en dat zeker op de plaatsen waar wij waren tewerk gesteld. De Fred in de ASLK en de Kleinen op het Ministerie van Financiën. In die dagen betekende een eerste werkdag, elkaar een gelukkig nieuw jaar wensen en om iets na negen uur het eerste het beste café binnenstappen.
Niet te verwonderen dus dat een paar uren slaap niet te versmaden zouden zijn, maar helaas…. Willy vond nergens in zijn zakken zijn autosleutels, hoe hij ze ook binnenste buiten keerde. William of was het Diane stelde hen enkele borstels ter beschikking en in die vroege uren van ‘75 werd Den Amber gekuist. Werk gespaard voor de Soef….
Het regende niet, en het sneeuwde al evenmin. Te voet trokken de drie vrienden vanuit Den Amber via de verlichte steenweg rchting Gent. Aan kruispunt Vijfhuizen zagen ze het niet meer zitten, en bij guido thuis belden ze dan maar een taxi. Guido bolde nog mee tot Oordegem waar zijn trouwe Honda op hem wachtte.
De taxi stopte aan het begin van de straat waar Willy woonde, en waar Fred zijn auto zou ophalen, om vooral de buren niet wakker te maken. Terwijl ze de straat inslenterden, zocht onze held in zijn zakken naar de huissleutel. ‘Hier si, begot, hier zijn ze’, en samen met de huissleutel haalde hij zijn autosleutels uit een van zijn broekzakken. Of de Fred er toen kon mee lachen weet ik niet….

Met deze gasten zette ik 1975 in… een onvergetelijk jaar.



Somewhere over the rainbow

Forever Young Posted on 05 okt, 2019 23:54

Zaterdag, 5 oktober

Vijfendertig jaar terug geworpen in de tijd. De setting, vandaag, is deze van de film The Big Chill, waar een aantal mensen samenkomen om afscheid te nemen van een vriend. Ze hebben elkaar een aantal jaren niet gezien. Met dit verschil: zij waren jong, en konden nog alle kanten op, wij zijn oud(er) en kijken vooral terug op wat geweest is. Het is hard om afscheid te nemen van iemand die daar al zeventien jaar lang mee bezig was.

Begin oktober 1984 vatte ik de tweede echte job van mijn leven aan. Nieuwe uitdagingen in een veranderende wereld. Wij zouden aan de mensen uit gaan leggen hoe je met een computer, eender dewelke, kon communiceren met een andere computer, ook al eender de welke, al was dat in eerste instantie langs onze kant de Level Six van Honeywell Bull. De afgelopen twee jaar had ik mij toegelegd op het vergaren van kennis over computers, en over de programmeer taal Basic. Het bedrijf was op zoek naar compjoeterspecialisten die iets meer kenden van deze nieuwe richtingen, en die wat minder geïnteresseerd waren in de mainframes van IBM. Een nieuwe uitdaging waarin we nagenoeg carte blanche kregen van de directie, als we er maar in slaagden om hetzelfde op poten te zetten als dat waar de concurrentie ook mee bezig was.

Na mijn eerste dagen wennen aan een spuuglelijke tafel, waar ik aan mocht zitten, want er diende nog een echte buro gezocht, en mijn kennismaking met een collega, die mij liet weten dat ik alles mocht doornemen van wat ik tegenkwam in een kast achter mij, waar de legplanken ontbraken en alle dossiers en handleidingen willekeurig gestapeld lagen. ‘Mocht je tijd hebben, leg alles dan wat op orde.’ Liet hij er nog op volgen, en weg was hij, op klantenbezoek. Van een sprong in het duister gesproken. Gelukkig mocht ik wat later in oktober ‘op stage’ naar Gent, waar ik enkele mensen leerde kennen, die ik vandaag opnieuw ontmoette, godbetert, aan de kerk te Ertvelde.

De overstap van een ‘binnendienst’ naar een ‘buitendienst’ en het beschikken over nagenoeg totale vrijheid, was een openbaring. In Gent trokken we ‘s middags naar het theater. Beter gezegd, naar café theater, waar we echte en glazen boterhammen tot ons namen. ‘s Namiddags togen we op klantenbezoek naar de Sidmar’s, Lotus’sen, en andere grote bedrijven uit de regio. Leren hoe je een Racal Milgo 26 LSI kon strappen. Het zijn dingen waar geen mens nu nog wat aan heeft, maar toen was het levensnoodzakelijk om dergelijke techniek onder de knie te krijgen. Ik leerde dat, en nog honderd andere dingen van de meester, waar we vandaag afscheid van namen. De directie zat niet stil, en de leermeester, muteerde vrij snel naar Brussel, om onze cel te versterken. We mochten onze kunstjes tonen aan onze kantoorhouders, en nieuw, ook tijdens handelsbeurzen en aanverwante. Gaston Geens, de toenmalige eerste minister van Vlaanderen, wat toen nog niet zo werd genoemd, had een paar jaar eerder Vlaanderen op de kaart gezet met ‘zijn’ derde industriële revolutie. Het hoogtepunt werd om de twee jaar georganiseerd tijdens een grote Flanders Technology beurs. In 1985 ging de beurs nog door in het Gentse Kuipke. De terreinen van Flanders Expo lagen nog braak te wezen, te wachten op een pausbezoek, om daarna snel omgevormd te worden tot het complex zoals we het nu nog kennen. In 1987 konden we Flanders Technology meemaken in de nieuwe gebouwen. Het is te zeggen, ongeveer in de nieuwe gebouwen, want ze waren al direct te klein, en wij stonden met onze minicomputer, de Level Six van Honeywell Bull in een bijgezette tent, waar ‘s morgens ongeveer tien centimeter water stond. Haardrogers en alerte collega’s zorgden er voor dat niemand wat merkte en het doorweekte computer bakbeest heeft daarna nog jarenlang gewerkt.

In België had de RTT (nu Proximus) het monopolie op alles wat met telecommunicatie had te maken. Enkel zij mochten modems verhuren (5000 frank per twee maand). Een toen nog jonge ex-marconist zag er brood in en importeerde in eerste instantie modems van het Engelse Racal Milgo en verkocht of verhuurde die door aan de RTT. Een paar jaar later bracht Telindus een eigen reeks modems op de markt, met dezelfde namen als deze die later werden gebruikt in Keeping Up Apperances: Daisy, Hyacynth, Iris, enz….

Bij Telindus volgden we cursussen om onze kennis te verruimen over X25, het pakketnetwerk, ISDN, het geflopte netwerkprotocol, en leerden we onderscheid te maken tussen de ISO standaarden die beschreven werden in het OSI model. Volgt u nog?

De concurrentie kwam op de markt met een betaalschijf, waarmee je zelf van in je bedrijf je betalingen kon doorsturen naar de bank, en omgekeerd je rekeningafschriften kon ophalen.

Het ontwerpen, bedenken, programmeren en in de markt zetten van dat telecommunicatie programma, blijft een mijlpaal in de geschiedenis van mijn tweede job.

Iedereen vind het normaal dat je tegenwoordig vanaf je smartphone je betalingen uitvoert, maar in de eerste helft van de jaren tachtig had je daar een mastodont van een computer, of een van die opkomende Personal Computers voor nodig. Kostprijs van zo’n ding lag om en bij de 450.000 Belgische franken, nu 11.250 euro. Geef toe dat de prijs van een Apple Iphone van net geen 1000 euro in vergelijking maar een peulschil is. En je spaart het milieu want je hoeft niet meer de auto in om naar je kantoor te rijden.

Geen haar op ons hoofd dat er toen aan dacht, welke niet te stoppen machine wij toen hebben in gang gezet. De derde industriële revolutie is iedereen al lang vergeten. Flanders Technology is enkel nog een vergeelde poster. De evolutie zal nooit meer stoppen, en zij die aan de basis lagen zullen allemaal op termijn tot stof en as weerkeren. Een belevenis (sic) waar we vandaag nog maar eens aan herinnerd werden.

Twee keer werden we voor Flanders Technology in het nieuw gestoken. Nieuwe das, nieuwe jas, het kon niet op. We hadden een stand verantwoordelijke die ons verzorgde. Allen in hetzelfde pak, wat de herkenbaarheid vergrootte, middagmalen in de beste restaurants in de buurt, een goedgevulde bar (enkel voor de klanten), en een dankfeestje achteraf. Geef toe de doorsnee kantoorfrik maakte dit niet mee.

Bij een van de gelegenheden waarbij wij een nieuw pak kregen aangemeten, kwam de kleermaker naar het bedrijf, om ‘de maat te nemen’. Zelf was ik toen op klantenbezoek, en werd mij opgedragen om later zelf even bij die kleermaker binnen te springen. Wat ik ook deed…. alleen in de verkeerd kleerwinkel. Gelukkig werd de fout op tijd vastgesteld. ‘Waar blijft die laatste man voor dat pak?’. ‘Hoe, niet geweest?’ ‘De maat werd wel genomen hé.’ ‘s Namiddags belde een blije stand verantwoordelijke mij op: ‘ Ze waren gelukkig nog niet aan het snijden’. Gered.

In de jaren tachtig vonden bedrijven het plots nodig dat hun personeel elkaar beter leerde kennen buiten de werkomgeving en voerden ze de human relations budgetten in. Duizend frank per persoon, om samen “iets” te doen. Louter besteden aan een etentje dat mocht niet. We bezochten de sterrenwacht in Grimbergen en wandelden door de Kalmthoutse Heide. In feite hadden wij die incentive niet eens nodig, want gezellig kletsen op restaurant hadden we zelf al een paar jaar eerder in gevoerd. Naar een Griek in Molenbeek, waarna ‘s nachts enkelen nog amper de weg naar huis vonden, of we maakten de buurt van Oudenaarde onveilig, ja we reden zelfs de grens over naar Nederland om er Indonesisch of was het Thais te proeven. Mooie herinneringen.

In de jaren die kwamen groeide ons initieel viertal uit tot een hele organisatie. Nieuwe producten kwamen er bij, zelfs helpdesken werden geïntroduceerd. Tot een directeur het nodig vond om, precies zoals in de politiek, het landschap te hertekenen, en elk zijn eigen weg ging. Maar het is op dagen zoals vandaag dat banden opnieuw worden aangehaald, en blauwdrukken voor een nieuwe toekomst tegen het licht worden gehouden.

Misschien wordt het morgen beter, maar het komt toch nooit goed, zeker wanneer er iemand minder is. Iemand die al zeventien jaar onderweg was, en nu het licht zal zien achter de regenboog.



Ongepubliceerde memoires 1969

Forever Young Posted on 23 apr, 2019 19:50

Over studiereizen hebben we het al gehad. De kortste studiereizen verliepen vaak te voet. Naar de kousenfabriek van Du Parc bijvoorbeeld naast het stadspark, of soms zelfs nog korter bij, zoals die keer in 1969 toen we net om de hoek naar de film Romeo en Julia togen met de leraar schei- en natuurkunde. Een film die behoorlijk wat impact moet gehad hebben op ons, zestienjarigen, op zoek naar de ‘grote’ liefde. Ik zou er anders geen verslag over hebben neergepend.

Uittreksel uit mijn ongepubliceerde memoires….

Foto (c) Wikipedia. Geboren 17 april 1951


Donderdag, 20 maart 1969. De film Romeo and Julia.

In Verona, een stadje, waren twee clans, twee geslachten die steeds tegenover elkaar stonden en ruzie zochten waar ze konden. Op een markt begonnen ze ruzie te maken om alles in het honderd te doen lopen.

Zekere dag werd bij de ene clan een gemaskerd feest gegeven. Romeo van de andere clan trok er naar toe en zag er een fantastisch mooie meid . Hij zag der een paar maal in der ogen en draaide er wat rond. Bij het lied van een minstreel gingen ze rond de kring. Hij op weg achter haar. Op de duur had je haar, en verklaarde hij zijn liefde met een fantastische kus. Bij nadere ondervraging bleek zij de dochter te zijn van het hoofd, en hij dus de zoon van het andere hoofd. ‘s Nachts zocht ie haar op. Zij was aan het dromen over hem en daar bezegelden ze hun liefde door overeen te komen zo spoedig mogelijk te huwen.

Intussen was Romeo zijn beste vriend gedood in een duel, met de neef, Tybolt, van Julia. In zijn woede dood hij hem in een duel. Hij wordt verbannen uit de stad door de vorst. Bij een pater schuilt ie, en ligt er ganse dagen te wenen. De pater verzint een plan en hij geeft Julia een drankje dat ze moet innemen. Dan zal ze tweeënveertig uren schijndood zijn. Ze zullen haar begraven en Romeo zal der komen redden. Romeo wist echter nog van niets. Een andere pater toog met een brief op weg, doch Romeo’s vriend die de begrafenis gezien had ging hem het droeve nieuws melden. Hij vertrekt direct en de pater komt te laat. Hij verschaft zich toegang tot het graf en beweent haar. Ten slotte neemt hij afscheid van haar lichaam en verenigt hun geesten door een slok vergif in te nemen. Hij zakt neer. de pater krijgt tranen in de ogen als hij dat ziet. En nu ontwaakt Julia, net te laat. Zij ziet het onheil, en daar er geen vergif meer is stoot zij zich een dolk in het hart.

Door deze feiten wordt dan uiteindelijk de vrede van deze twee clans bezegeld.

Het is fantastisch aangrijpend. Julia een beeldschoon meisje. Romeo een knappe vent. William Shakespeare moet een het van steen hebben gehad wanneer hij dat schreef. Waarom liet hij het niet uitdraaien op een gelukkig huwelijk? Ontroerend, en het stemt tot nadenken. Tot een uur of zeven heb ik nog met mijn gedachten tussen die film, mezelf, en het leven gehangen.

Vrijdag, 21 maart 1969.

Lente. Ho zoete schoonheid die de natuur zal worden, en zoete schoonheid die de natuur zal geven. Groen zullen de bladeren zijn, en zuiverend de kruinen der bomen, wijl de zon alles heerlijk zal bestralen. De natuur, het mooiste wat er is.

Vanmorgen in school, met de Roelants nog nagekaart over de film. Hij was gisteren nog direct in het werk van Shakespeare gedoken, en vertelde ons, dat het daar de gewoonte is dat er aan het einde zelfmoorden met hopen gebeuren. Harteloos man.

Tot besluit van dit ongepubliceerd verslag schrijf ik nog: ‘harteloos man!’

Tot daar mijn wat naïeve kennismaking met een icoon uit de literatuur. Wij zaten op een school, waar Mercurius, ons de weg wees. Literatuur kregen we, bij wijze van spreken, dankzij de goodwill van toch wel enkele schitterende leraars.

Een greep uit wat Wikipedia verhaalt over deze film.

Het gaat om een Brits-Italiaanse film van regisseur Franco Zeffirelli, uiteraard gebaseerd op het toneelstuk van William Shakespeare. In de hoofdrollen zien we Leonard Whiting en Olivia Hussey. De muziek is van Nino Rota. Deze Paramount film (138 minuten) ging al op 8 oktober 1968 in première, en bereikte dus ons provinciestadje, goed een half jaar later. er werd een budget van 850.000 dollar aan gespendeerd, en de film bracht meer dan 38 miljoen dollar in het laatje.

De film won een Academie Award voor beste camerawerk, en beste kostuumontwerper. Genomineerd voor beste regisseur.

De film was populair bij een groot tienerpubliek, mogelijk doordat de acteurs de leeftijd hadden die Shakespeare beschrijft in zijn stuk. De film werd deels goed ontvangen door critici.

Volgt de samenvatting van het verhaal zoals weergegeven op Wikipedia.

Kan u rustig nagaan in hoeverre mijn eigen samenvatting de realiteit weergaf.

Het is 1450 in het Italiaanse Verona wanneer Romeo en Julia, twee kinderen van twee strijdende families (Montagues en Capulets), elkaar op een feest ontmoeten en verliefd worden. Ze treden al gauw in het geheim in het huwelijk door middel van Romeo’s biechtvader broeder Laurens en met hulp van Julia’s opvoedster. Door een ongelukkig toeval breekt er een duel uit tussen Julia’s neef Tybalt en Romeo’s vriend Mercutio, wanneer Tybalt beschuldigingen uit tegen Romeo. Maar omdat Romeo net getrouwd is met Julia, weigert hij dit duel aan te gaan, met als gevolg dat Mercutio zijn plaats in het duel inneemt. Mercutio verliest het duel en wordt gedood. Romeo grijpt dan alsnog in en vecht met Tybalt tot hij hem doodt. Romeo wordt vervolgens gestraft door de prins van Verona met verbanning en ontloopt daardoor de doodstraf.

Niet wetend van het geheime huwelijk van Julia, heeft haar vader een huwelijk geregeld met de rijke graaf Paris. Om onder dit geregelde huwelijk vandaan te komen en loyaal te kunnen blijven aan haar Romeo, drinkt ze van een speciaal gebrouwen flesje, gemaakt door broeder Laurens, waardoor ze 42 uur zal slapen en dood zal lijken. Broeder Laurens informeert Romeo over dit plan zodat hij Julia na haar begrafenis kan ophalen als ze uit haar slaap is bijgekomen. Het nieuws van Julia’s overlijden bereikt Romeo echter eerder dan de brief van broeder Laurens. Wanhopig gaat hij naar haar graf en drinkt een flesje met dodelijk elixer waardoor hij sterft. Net na Romeo’s zelfmoord ontwaakt Julia en zij doodt zich met het mes van Romeo. Later volgt de begrafenis van beide geliefden waarbij de strijdende families hun onenigheid bijleggen.



Uit een dagbboek geschreven in 1968: terug naar school.

Forever Young Posted on 15 apr, 2019 13:30

Schoolgaande jeugd.

September 1968 kwam en bracht een nieuw schooljaar, met een aantal nieuwe leraars en -essen. Het was een periode waarin er in het toenmalige Staatsonderwijs, nu het GO, (GemeenschapsOnderwijs), nogal wat wissels gebeurden in scholen met een jong lerarenkorps. En daar behoorde de Aalsterse toenmalige Handelsschool zeker bij. Wij schoven op naar het tweede jaar A6A2, wat overeenkomt met de poësis of de “tweedes” in Athenea of Latijnse scholen. Wiskunde, Frans, Franse Correspondentie, Nederlands, Boekhouden, het waren allemaal vakken waarvoor we iemand nieuw voor ons kregen. Weg waren Potgieter die ons wat Nederlandse literatuur had bijgebracht, D’Havèken met zijn scheikunde proefjes, die “ambetante” van Frans, de uit “picture cards” opgebouwde man van Engels, en nog enkele andere minder belangrijke die een mens uiteindelijk in de loop van de tijd vergeet. Uit de voornamelijk oudere generatie hielden we ‘De Clippel’, ‘Goethals’ en ‘paster Geldhof’ over. ‘Kamiel’ kregen we er voor Wiskunde gratis en voor niets bovenop. Zomaar een cadeau. ‘Redant’ verkaste naar A6A1, het zogenaamde “hoger”, waar ik hem een paar jaar later weer tegenkwam en leerde “hoe hij in elkaar stak”. Enkele nieuwelingen, die uit het Antwerpse of zelfs het Limburgse kwamen en waarvan ik mij met uitzondering van ‘de Snor,’ nog nauwelijks de namen herinner, maakten hun entree.

Als klas titularis kregen we mevrouw ‘De Schoolmeester’. Ze zou pas in december haar 24ste winter ingaan. Amper enkele jaren ouder dan een paar gasten in ons klas, die daar door hun vaders waren gedropt, om hopelijk toch ooit een diploma van boekhouder te behalen. Van alle leraressen die we ooit hadden is zij diegene die mij het beste is bijgebleven, en dat is behoorlijk uitzonderlijk, wanneer je weet dat Frans haar vak was. Frans waar ik tot dan toe een zware hekel aan had, dankzij enkele jaren Atheneum en een Brussels figuur die met een Porsche reed, en van die smalle fijne leren plastronnekes droeg, omdat dat toen in de mode was. Die man was er niet in geslaagd, om mij de teksten van ‘André Citroën’, en ‘Pantagruel’ uit ‘Voies Nouvelles’ bij te brengen. Ik zag er, op dat ogenblik, totaal het nut niet van in, en ook van de spraakkunst van Moliére wou ik niet weten. ‘De Schuur’ gaf mij ooit in de vijfdes met Nieuwjaar 6 op 100 voor het examen. Voor alle duidelijkheid, ik heb geen enkel jaar overgedaan, maar voor Frans bleef het jaar na jaar ploeteren. Het leek bijna op een sukkelstraatje waaraan maar geen einde scheen te komen. En toch, God zij dank, door ‘Geneviève’, is daar beterschap in gekomen. Alleen al daarvoor blijf ik haar dankbaar. Zij heeft uiteindelijk toch een soort van basis kunnen aanbrengen waarop ik mijn verdere kennis heb uitgebouwd. Ik denk nog wel eens aan haar, wanneer ik weer een keer als vertaler gesommeerd wordt, tijdens een of andere Internationale molen uitstap. Op die ogenblikken waarop geen enkele anglofiel, noch Hollander over de taal barrière geraakt die hen van hun franse molenvrienden scheidt. Bon, ook andersom is hulp nodig, want de Fransen…. maar dat is in ons land bekend, neem ik aan.

Zij is overigens een van de weinige ex-lesgevers, die ik nog wel eens tegenkom. En dat dan zowel fysiek als via ‘sociale media’.

De uren die we doorbrachten met ‘De Neve’, tijdens de lessen boekhouden en bijzonder boekhouden, soms twee uur na elkaar, kropen tergend langzaam voorbij. Hoeveel landkaartjes van ons dorp en gitaren heb tijdens die lessen ooit getekend? Hoe vaak kraste ik de naam van het meisje waar ik verliefd op was in mijn bank of pennenzak?

Op zondag, was er geen school….

We brachten in het najaar regelmatig onze zondagavonden door in Sun Valley waar de juke box een vooraanstaande plaats in nam. Een juke-box met de hits van de dag, aangevuld met de nodige ‘trage’ nummers. Het betere ‘slow’ werk van Elvis en Roy Orbison. Het was nog de tijd dat je voor vijf frank twee plaatjes kon ‘duwen’ op de juke-box. De naam van het zondagmiddag radioprogramma op de toenmalige BRT ‘Duw op de Knop’ van Carl D’Hondt verwees naar die handeling. Die juke-box moet er zeker eentje geweest zijn van het bedrijf van een zekere ‘Willy Michiels’ uit Haaltert. De kast van deze Seeburg was aan de zijkanten voorzien van mooie blinkende houten planken. In het middengedeelte waar je de platen zag draaien waren een serie wisselende foto’s aangebracht. Vaak plaatste men daar de hoesjes, maar niet zo in Sun Valley. Zekere zondag stond ik gebogen over deze 45-toeren kast, om te proberen inschatten hoe lang het nog zo duren eer ‘Monja’ van ‘Roland W.’ of ‘Tranen in je ogen’ van ‘Clarck Richard’ er aan zouden komen, toen ik de stem hoorde van ‘Jesuke’ die net als ik het selectiepaneel bestudeerde. Hij moet gemerkt hebben dat mijn blik even naar de foto’s van enkele vliegtuigen dwaalde die de een na de andere in een loop voorbijkwamen, want hij merkte schamper op: “Kijk, dat is nen DC drau”. Iets wat ik overduidelijk ook wel wist, gezien mijn enorme belangstelling in alle soorten van vliegtuigen, die begonnen was een jaar eerder. Sinds de zomer van ‘67 deden we vooral aan vliegtuigspotting. We beleefden onze spotters hoogdagen tijdens die twee fiets uitstappen die we hadden ondernomen naar Hofstade-bad bij Mechelen. Amper op een boogscheut van onze nationale luchthaven te Zaventem. Ik bekeek de baardige figuur en dacht niet alleen: “OK, dat klopt”, maar evenzeer, “tiens die gast is van Mere”, want wij zouden gesproken hebben van een ‘DC drei’ in ons dialect. Enkel in Mere spraken ze van ‘drau’. Iedereen kende wel het rijmpje: ‘In Miejer op de kassaa laên drau rau aur’n, en da worren drau zwalpaur’n’. ‘In Mere op de kassei lagen drie rauwe eieren, en dat waren drie zwalp eieren’, om het in het ABN te vertalen. Een zwalpei is overigens een ei zonder harde schaal. Iets wat af en toe voorkomt bij kippen. “Nen DC drau dus” repliceerde ik. “Ge moetj zu ni kijken, want ik weet da en gau ni” voegde hij er aan toe. Ik liet hem maar. Enkele jaren later ontdekten we dat het inderdaad ‘ne slimmen’ was, en dat hij aan de universiteit in de licentie wiskunde zat. Straffer nog, we stelden vast dat hij behoorlijk goed de sologitaar hanteerde bij John Woolley en Just Born, waar hij zich Jeff Stone liet noemen. Een kleine tien jaar later kreeg mijn vrouw les van hem in diezelfde Handelsschool waar ik in ‘68 zat. Jef is er niet gebleven tot het einde van zijn carrière, ondermeer vanwege de smaak van het bierbrouwen die hij onderweg ergens te pakken kreeg. Dat de wereld klein kan zijn, weten we al heel lang, en dat enkel bergen elkaar nooit tegenkomen is een al even groot understatement. Jef vond er op een gegeven ogenblik wel de liefde van zijn leven bij…. de Geneviéve van hierboven.


De laatste, ech, eerste dans…. Zondag, 3 november 1968

Feest van Sint Hubertus, patroonheilige van Erondegem. Dus volgende zondag vieren ze er kermis. Ik bleef deze morgen tot negen uur in bed, en stelde voor de rest enkel een hitpick 100 lijst samen, met deze tien in de hoogste noteringen.

10 The Equals – Softly Softly (stationair op 10)

9 The Golden Earring – With just a little bit of peace in my heart, (nieuw binnen )

8 Leapy Lee – Little Arrows (10 plaatsen vooruit).

7 The Casuals – Jesamine (geklommen van 13 naar 7)

6 The Marbles – Only one woman (een plaatsje teruggezakt)

5 The Hollies – Listen to me (op de terugweg, de week ervoor nog op 1)

4 Joe Cocker – With a little help from my Friends (stijger van 7 naar 4)

3 The Beratles – Hey Jude (een trage zakker, want terug van 4 naar 3)

2 The Tremeloes – My little lady (op 2 gebleven)

1 Mary Hopkin – Those were the days (eindelijk van 3 naar de top). Een Apple productie.

Op nummer 15 staat Time has Come Today van de Chambers Brothers, een week eerder vanuit het niets op 58 en nu doorgestoten naar 15. Gisteren hoorde ik die plaat voor het eerst volledig op Hilversum III, en dan nog in stereo. Maar liefst elf minuten en dertig seconden lang. Daar mogen die van Blue Cheer een punt aan zuigen.

Tussen een en twee naar ‘Duw op de Knop’ geluisterd, waar Hip Hip Hooray (Troggs), tot hit van de week was gebombardeerd.

Het is drie uur, en ik zit thuis. Straks misschien nog even bij P. langs gaan. Vanavond, dacht ik toch, gaan we naar de Korenbloem. Ik mag hopen dat het wat wordt. Weinig uitgespookt voor zeven uur, behalve dan de wereld aanschouwen van uit onze garage. Wat een rotweer. Kijk dat boompje is al bijna al zijn bladeren kwijt. Nog even en ik kan van van in mijn bed ‘Ter Vaerent’ zien. Daar had je D. “Ook nog niet veel uitgericht zeker vandaag?”.“Studeren zal wel voor morgen zijn, tijdens onze laatste vakantiedag”. “Laten we even bij W. gaan”. Die stopte net met tekenen. We praatten wat over en weer. Over hoe rot de Veronica top 40 er wel uitziet. We trokken naar P. waar we wat TV keken, en vaststelden dat P. besloot van niet met ons mee uit te gaan vanavond. Afspraak om te vertrekken: vijf na zeven.

Zes uur en dat betekent luisteren naar de BBC hitparade, waar voor de vijfde week Mary Hopkin de eerste plaats inneemt. Geen Chambers Bros.

Zeven uur, ik sluit de poort van de garage, snuif nog wat frisser lucht op, en ervaar dat het weer minder koud aanvoelt dan deze namiddag.

Over wat de avond brengen zou had ik echt geen al te goed gedacht. Aalst, ach ik weet het niet. Daar zullen wel geen meisjes zijn die we kennen. We wachten elkaar op onder het boompje bij W. H. kwam nog voorbij. “Engelse top gehoord?” Informeerde ik. “Jawel, maar toch vooral mij onbekend spul, omdat ik bijna nooit meer naar de radio luister” antwoordde hij. D. arriveerde en we vertrokken. Onze fietsen ‘parkeerden’ we aan het postkantoor, op de hoek van de Hopmarkt. Op weg naar de Korenbloem, maande een gast ons nog aan om ons vooral te reppen: “Want het gaat direct beginnen”. Tuurlijk niet. Het orkestje was nog druk met opzetten van hun materiaal. We trokken de Hopmarkt over, naar de ‘Frégat’ waar we een pint dronken, die W. betaalde. Het viel mee. Het was er minder ‘droog’ dan we vermoedden. Toch was er niemand bekend te zien, en dan te weten dat de helft van ons klas in Aalst woont.

Er was al een pak meer meer volk in de zaal, toen we terug kwamen. Het orkestje was bijna klaar met opstellen. We namen ergens plaats en ik bestelde voor ons een pint. De ‘Cave Dwellers’, geen slecht orkestje, al trok het zingen nergens op. Ze stonden maar wat te schreeuwen. Ze gingen van start met ‘Something for Nothing’ (een cover van Jesse en James), gevolgd door een drietal hippe beatliedjes. “Zouden die ooit al van een slow gehoord hebben”, kon ik niet nalaten te bedenken. W. zat wat voor hem uit te staren, maar toch al bij de eerste ‘tango’ was ie weg.

Ook D. stevende af op een meisje. Het was een onbekend iets dat die knullen speelden, maar wat het ook was, het weerhield ook mij niet om recht te veren. D. tikte een jeugdig ding op de schouder, en draaide er mee de dansvloer op. Dat meisje met haar rode truitje zou het wezen. “Effe dansen”? Zij knikte bevestigend. De muziek bleef onbekend. “Dank u wel juffrouw”.

We waren beleefd in die dagen. Ik dacht nog even aan Patricia uit het artikeltje in Courrrier Sud 2. Een boekje dat we kregen via mevrouw De Schoolmeester, en waarin ik in de rubriek: ‘Patricia réspond a vos questions’, een maand eerder, had gelezen, dat een zekere Myriam schreef: ‘Patricia, J’ai seize ans et je ne sais pas danser. Je refuse toujours de sortie et d’accompagner mes amies.

Moi je finis par m’ennuyer. Pouvez-vous me donner un counseil’?

Patricia eindigde haar antwoord met: ‘Ne vous imaginez pas non plus que toutes NOS amies et tous les jeunes sont tous des “danseurs-étoiles”. C’est surtout une question de confience en soi-même. Ne faites donc pas de complexes. Dites-vous que ce que les autres don’t, vous pouvez le faire aussi. Après deux ou trois fois, tout ira très bien.’

De totaal onbekende en vermoedelijk zelfs niet eens bestaande Patricia kreeg gelijk. Geen van ons heeft naar mijn weten ooit commentaar geleverd op de danskunsten van de anderen. Ook al stuntelden we wat later opnieuw de dansvloer op om er wat los te ‘djerken’.

D. betaalde nog een rondje, en dan was het tijd voor ‘La Bamba’. In vergelijking met de kermis bals bleven hier maar enkelen in de kring. Vooral die twee zwarte jongens die meededen, waren super beleefd. Het was een toffe meid die mij nog in de kring haalde. Tijd om weer van ons pint te nippen, en te genieten van de eerste tonen van Softly Softly, al beseften we snel onze vergissing, want de zanger zette Satisfaction in. Het ene nummer lijkt al wat beter op het andere. Carl D’Hondt vond ook al dat die twee nummers erg op elkaar leken.

Het was net elf uur toen ik thuiskwam, en dus net op tijd voor de Engelse hitparade op ‘208’ (Radio Luxembourg).

‘Barry Ryan’ met ‘Eloise’ op nummer drie. Een plaats hoger ‘Hugo Montenegro’ met de filmmuziek uit ‘The Good, The Bad and the Ugly’. ‘Joe Cocker’ op één met ‘With A little Help From My Friends’. Wisten wij veel dat een van die ‘Friends’ ‘Jimmy Page’ heette.

Kwart over twaalf onder de wol, na een lange dag.

Terug naar school… studeren om te reizen….

De Handelschool bleef ook in die dagen een merkwaardige school. De examens bij het einde van het eerste trimester zaten er al op begin december, wanneer alle anderen in andere scholen nog moesten beginnen. Bij ons werd er op aangedrongen om al te beginnen studeren met tijdens de Allerheiligen dagen. Een periode waarin, toen verspreid enkele vakantiedagen vielen. Alle goede voornemens ten spijt, maar dat was nu eens iets wat niet wou lukken bij mij. Waarom ook? Vakken als Engels, Algebra, Boekhouden, draaide ik er op tien minuutjes studietijd door. Al kon dat soms zelfs ook een kwartier zijn. In feite nam ik enkel de nodige tijd voor die vakken waarvan ik op voorhand al wist, dat ik er nooit een hoogvlieger in zou worden. Franse Correspondentie van de kort gerokte Hubert (de lerares met de hoge hakken en de strakke kuiten), geschiedenis van Goethals, die een perkamenten uitzicht had gekregen door haar vele reizen naar tweestromenland en Egypte. Mijn God, had ik aan dat tweestromenland een hekel. In de tijd die nog restte na de examens en voor de kerstvakantie werd menig half dagje gebrost. Op de dagen wanneer we er wel waren kwamen we traag maar zeker onze resultaten te weten, die we hadden neergezet op de examenbladen. Handelsrekenen, acht op vijftien, en dus met de hakken over de sloot, algebra zeventwintig op dertig, en het gevreesde Franse corr een keer tien op dertig en een keer twaalf op twintig. Dus toch een buis. Alles bijeengenomen scoorde ik toch nog een rapportcijfer van 68 op 100. Meer hoefde dat echt niet te zijn, want ik besloot dat alles goed meezat… want voor het vak frans was ik er door.

Ergens in december op een vrijdag de dertiende werd een namiddag uitgetrokken voor een studiereis. Deze keer met de Roelants. De wat ouderen uit ons jaar brosten die namiddag, omdat ze zo een reis iets teveel studie en iets te weinig reis vonden. Met vijftien stapten we die namiddag op de bus voor een bezoek aan Het Laatste Nieuws, toen nog ergens gelegen aan van de grote Brusselse lanen midden in de stad. Echte schoolreisjes voor het plezier, en om het einde van het schooljaar te vieren, dat bestond niet in de Handelschool. Wel twee of drie keer per schooljaar een studiereis. Ik herinner mij voor de vuist weg, bezoeken aan de elektriciteitscentrale van Ruien, een bezoek aan General Motors incluis de haven van Antwerpen, de BRT aan het Flageyplein waar we Henk van Montfoort of all people tegen het lijf liepen, de luchthaven te Zaventem, en zelfs de Bank van Brussel, waar ze ons een half uur onderhielden over een luster aan het plafond. In de eindjaren van de A6A1 (het hoger niet-univ), bezochten we de Brusselse Beurs in combinatie met een bezoek aan de Kredietbank, waar we een omslag kregen, waarin zich ondermeer een sollicitatieformulier stak, dat uiteindelijk ver strekkende gevolgen kreeg.

Eenmaal op de bus was het zaak de Roelants zover te krijgen dat we op de terugweg toch ergens ene zouden kunnen gaan scheppen, in een café waar liefst ook nog een juke-box stond, en er wat open ruimte was.

Het bezoek aan HLN vatte ik samen als: ‘De rondleiding was niet zo bijzonder goed. Eerst speechte een droge vent een half uur lang. Nadien kregen we een krant en een stylo en nog wat uitleg, waarmee het “studie” gedeelte afgelopen was. Jenny presenteerde ons intussen nog een sigaret. De machines en telexen zagen er bijzonder vernuftig geconstrueerd uit.’

“Wel weten jullie nu een toffe plaats om te stoppen”? vroeg ‘scheikunde’. Dirk D. begon direct over ‘Napoleon’ in Hekelgem, een plaats waar hij in het weekend soms ging helpen, maar dat werd nogal bruusk afgewezen. De keuze viel ten slotte op de ‘Cap’ langs de steenweg in Asse. Een cafeetje dat we al kenden van een jaar eerder bij een vorige studiereis.

Zes meisjes en negen jongens, eerst elk aan een tafel maar al snel door elkaar gemixed. De meisjes hadden afgesproken om elk een pint te betalen voor de leraar. Dat beloofde, toen we hem zagen aankijken tegen die schaal bier.

We dansten om beurten met de grieten uit ons klas, Annie, Joke, Jeanine, Joske (Marie-José) en Gisela. Jenny woonde in Jette, en was daar uit de bus gestapt. Vooral Joke en Joske waren praat varen. En het zal wel aan hen gelegen hebben dat de leraar zo snel akkoord was om een pitstop te maken. Tijdens het kusjesdansen was hij al direct vergeten dat je na drie kussen ophield. Vijf bleek voor hem normaal te zijn.

Joke, de oudste, knapste, en slimste van ons gezelschap hield het er op dat de Roelants een bovenste beste leraar was, althans daar probeerde ze mij toch al slowend van te overtuigen.

En jawel hoor zelfs Marc D. later wereldberoemd of was het eerder berucht in Aalst stond op een gegeven ogenblik te slowen, iets wat niemand voor mogelijk hield. Marc behoorde tot dat clubje van ons klas dat bij het binnenkomen van een cafe direct richting ‘kasken’ trok, de vloer afspeurde naar daar mogelijks verloren vijf frank stukken, om dan de rest van de tijd af en toe te vloeken wanneer Miss America weer eens tilt sloeg. Ooit hoorde ik Wiske, de bazin van de Monopole, telefoneren naar haar leverancier van cafespelen, “omdat een idioot zich op Miss America had gezet waardoor haar glas was gescheurd.”

vervolgt…..



Ten years gone

Forever Young Posted on 19 mrt, 2019 19:52

Er zijn zo van die verjaardagen die niemand kent. In feite zijn het meer dagen van herinnering dan van verjaren. Neem nu 19 maart 2009. Vandaag precies 10 jaar geleden, nam ik voor de allerlaatste keer de auto om mij naar Mechelen Zuid te begeven. Werken heette dat toen in mijn leven. Al bij al een merkwaardige dag, die dag waarop ik uitgekiend had om een deur, al was het in mijn geval een tourniquet, achter mij dicht te slaan. De weergoden hadden voor de rest van de maand, en de daaropvolgende maand april mooi weer beloofd.

Ik bekijk vandaag nog even de vakantiekalender

Werken op de witte dagen, werken dicht bij huis op de blauwe dagen, vakantie op de rode dagen. 2009 was een goed jaar met amper 42 werkdagen….. een mens moet leren uitbollen.

“En”, hoor ik je nu al vragen, “Oe wast in die tien jaar”?

“Ik mag niet klagen”, en om het met Peter Hill te zeggen,”Every morning when I look in the mirror, I think, thank you God, I’m still here”! Ik zou het niet beter kunnen zeggen.

Tien jaar waarin slechts een opdracht klaarligt: leren omgaan met tijd. Iets wat ze niemand leren op school. Leren zingen met de Walker Brothers….. “Say goodbey…..”

Opletten want achter elke deur die je dicht doet gaat een andere deur weer open, zei ooit iemand.

Een cliche als geen ander: de wereld zien…. Mmm niet slecht tot nu toe: Nederland, Denemarken inclusief Mando, Bornholm, Zweden, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Roemenie, Frankrijk, Spanje, Portugal, Polen, Slowakije, Oekraine, Engeland, en…. Wales. Mijn tent heeft overal gestaan….

Onderweg kwam ik via de paden van mijn jeud mijn idolen tegen tijdens concerten van: de Hollies, de Animals, Canned Heat, de Rolling Stones, Neil Young, Rod Stewart, Alfred den Ouden, Steve Winwood, George Thorogood, Jan De Wilde, Zjef Vanuytsel, Robert Plant, Jeff Beck, Elisa Waut, Van Morrison, en John Mayall, die straks 85 wordt.

Een molenvereniging starten vanaf nul, en laten uitgroeien tot de grootste van Vlaanderen. De droom van molinoloog nummer een in Vlaanderen verder zetten en zijn molen erfpachten en restaureren.

Tien jaar bloggen, fotograferen, schrijven, fietsen en genieten van de eeuwigheid onder wolken. How many more years opleggen en genieten,

Ten years Gone, Thank you, om het zepologisch uit te drukken….



Trini Lopez 1964 te Aalst!

Forever Young Posted on 26 feb, 2019 15:30

De afgelopen maand februari was het 55 jaar geleden dat te Aalst, een wereldster van formaat aantrad. Trini Lopez kwam optreden in de Klaroen. Een naam die elkeen van boven de vijftig zich nog wel zal herinneren. Er was in Aalst en omstreken nogal wat te doen over dat optreden, ondermeer omdat je 400 frank diende neer te tellen voor een entreeticket. En dat was in die dagen een ongehoord bedrag, vooral om dat de oudere generatie een optreden van een zanger allicht als een onnodige luxe zal beschouwd hebben. Weet dat je in die dagen voor dergelijk bedrag op zijn minst tachtig pinten kon drinken. Even vlug omrekenen brengt ons op vandaag bij 160 euro. En dat zou zelfs nu in Aalst nog steeds als een veel te hoge som beschouwd worden, wetende dat je vandaag de dag voor goed 20 euro je een avond kan amuseren, optredend bandje inbegrepen.

In die tijd deed ook Adamo Aalst aan (tijdens de handelsfoor?), en daar werd ‘maar’ 250 frank voor gerekend. Wat overigens ook voor de meeste Aalstenaars als een links te laten liggen event werd beschouwd.

We hebben er de kranten uit die dage op nageslagen, en daaruit blijkt dat het optreden van Trini Lopez in die pre-carnavalsdagen geen overdonderend succes was. Weinig aanwezigen. Al zou dat ook kunnen hebben gelegen aan het feit, dat we in vergelijking met vandaag over een ‘flits’ optreden zouden kunnen spreken. Trini Lopez trad om half acht op in de Klaroen, en volgens een krantenbericht, zou hij ook nog dezelfde avond om halfnegen optreden in Meise of daaromtrent.

Hoe dat te rijmen valt lijkt wel een raadsel. Alhoewel….

Het toeval wil, dat we enige dagen geleden al kringwinkelend op een DVD botsen van Trini Lopez. Doorgaans te mijden, vanwege al te onbekende labels waarop die dingen worden uitgegeven. Doorgaans gaat het om opnames van opnames van videocassettes uit lang vervlogen tijden, waarop je doorheen de ruis nog amper de artiest kan zien bewegen.

Hier trok echter de tekst op de achterflap de aandacht, want dit ging om een concert opgenomen in Brussel, voor de televisie, precies in die dagen dat Lopez ook te Aalst was. Het risico was beperkt, en voor 1 euro wou ik mij wel even laten gaan.

Groot was mijn verbazing, dat de opnames (in zwartwit) gewoonweg goed zijn, en van een kwaliteit die die van Schipper naast Mathilde of Bonanza mijlenver overtreft.

Al hadden ze de cameraman op voorhand mogen briefen over: hoe breng je het correcte instrument in beeld. Lopez trad aan met een trio. Naast hemzelf met zijn elektrische gitaar, die je aantreft op foto’s op zijn lp’s, werd hij begeleid door een bassist en een drummer. De bassist zonder micro, zong op nogal wat nummers mee, al ben ik niet zeker over wat hij zong. Een liplezer kan zijn diensten hier nog bewijzen. De cameraman moet geinstrueerd zijn, dat wanneer Trini even niet zong, en wat gitaarlicks weggaf hij moest inzoomen op een gitaar. Alleen had men de brave man vergeten te vertellen, dat dit dan vooralsnog niet hoefde de gitaar van de bassist te zijn. De ogenblikken waarop je het ‘vingerspel’ van Trini kan bewonderen zijn dus helaas schaars. In feite valt het mij eigenlijk pas nu op dat ik in die prille dagen niet enkel fan was van de zanger Trini Lopez, maar evenzeer van de muzikant.

Trini Lopez is de eerste rock and roll figuur waar ik fan van werd. Ik ben hem blijven volgen tot na Bey Bey Blondie, in de latere jaren zestig. Een ogenblik waarop ze hem vooral nog adoreerden in Duitsland. De man die ooit in de Parijse Olympia, Sylvie Vartan en de Beatles in zijn voorprogramma had, was door deze laatsten ook bij ons van zijn troon gestoten. De Beatles hadden wel meer figuren uit hun omgeving achter zich gelaten. Denk maar aan Gene Vincent en Roy Orbison.

De start van de Beatles wordt vaak gelijk gesteld met het verschijnen van Love me do in oktober 62 in de Britse hitlijst. Maar geloof ons vrij, de echte doorbraak van de Beatles kwam er in Amerika en de rest van de wereld pas echt in 1964, toen iedereen She loves you en I want to hold your hand ging meebrullen. Wat er voor kwam was vooral succesvol in Engeland.

In 1963 zongen wij uit volle borst I want to be in America, en vooral If I had a hammer. En het feit dat de man naar Aalst kwam zal daar zeker niet vreemd aan geweest zijn.

Ik was amper 11 jaar en was nog volop de radio aan het ontdekken, dankzij de richtlijnen van mijn achternichtje, die voor mij opschreef dat ik naar Radio Hainaut moest luisteren, wilde ik beatmuziek horen. Al draaiden ze daar in hun verzoekprogramma nog volop Karin & Rebecca met hun Moi je dors avec nounours. Van de platen van mijn vader, uit de jaren vijftig (Bobbejaan Schoepen en Ray Franky), naar Trini Lopez was een hele grote zevenmijlslaarzen stap. De enige live muziek in die dagen die er viel te beluisteren kwam er tijdens een schoolfeest waar de Sonnyboys speelden.

De jukeboxen die we hoorden via de openstaande cafedeuren en de muziek op de kermis waren voor ons de eerste kennismaking met rock and roll. Marina, Kom van dat Dak af, Oh Carol. Stuk voor stuk plaatjes die je regelmatig hoorde, maar waar niet echt gezichten bij hoorden. Niet genoeg om er fan van te worden. En dat dit met Trini Lopez wel gebeurde, is volledig toe te schrijven, aan het beeld en de informatie die er bij hoorde. Tot dan toe was mijn ‘collectie’ fan materiaal beperkt gebleven tot twee prentjes die ik gewonnen had tijdens het knikkeren: ‘Brigitte Bardot’ en ‘Elvis Presley’. Mijn kennis over Trini Lopez moet ongetwijfeld uit Panorama , Rosita, of het Rijk der Vrouw zijn gekomen, want zelf kwam er bij ons geen krant aan huis. En die tijdschriften verslond ik tijdens bezoekjes aan mijn achternicht. Ook de eerste achtergrond over de Beatles heb ik uit die bladen. Bijvoorbeeld dat Paul en John uit ‘ontwrichte’ gezinnen kwamen en dergelijke.

De Beatles werden ons in de maag gespietst via handige marketing truuks (ook toen al). De winkels waar we onze snoep betrokken, werden plots walhalla, waar je sjieken (kauwgom) kon kopen met erbij verpakte Beatlesprentjes. Ik zie mij nog mijn kleine fietsje, (de grote kwam pas na mijn plechtige heilige communie) naast de grote poort (waar Katje kolen laadde op zijn camion) plaatsen, en eerst voor het venster kijken of er nog wel waren, de winkel binnenstappen, en met enkele pakjes naar buiten komen. Een tijd die, nu terugkijkend, eeuwig leek te duren, en toch er waren maar 60 verschillende plaatjes, en ze staken dan nog per twee in een pakje. Het lijkt alsof het gisteren was.

Ook al woonden we naast de snoepwinkel van Fientje, toch was het veiliger om in een andere wijk, bij Katjen, prentjes in te kopen. Lag overigens ook langs de weg van en naar school. Fientje was een babbel-ekster eerste klas, die de jeugd ‘beschermde’ en er dus niet voor terugdeinsde om onze ouders in te lichten, wanneer we daar teveel geld zouden spenderen… Ik verzin dit niet, er zijn gevallen bekend.

De Beatlesprentjes waren er al vrij snel. Zo snel zelfs dat wij nog niet eens wisten wat de echte namen van de heren Beatles waren. Het was nog de tijd dat wij spraken over Star en over Mackny, want dat was wat uit de handtekeningen op de prentjes hadden ontcijferd…. Conclusie: 55 jaar down the drain…. om even bij stil te staan.

Op de DVD van Trini Lopez, die in meerdere versies bestaat, volgens mijnheer googel, staan naast dit beperkte optreden in Brussel nog wat opnames van jaren later in Nederland met het Metropoolorkest. Interessanter is uiteraard het interview met de man, waarin men hem o.a. vraagt naar wat hij vind van de Beatles. Naar wie kijkt hij zelf op? Frank Sinatra. Weet wel dat Trini Lopez zijn platen uitkwamen op Reprise het platenlabel van ‘Ol Blue Eyes’ himself. Een vraag waar doorgaans op geantwoord met namen van jonge artiesten van het eigen label die men wil promoten, of zoals hier, waar het eerder de kat is die de kandeleer likt….

In een ander interview zie je Trini in een open slee doorheen California sjezen, en zie je hem zijn villa annex zwembad aanwijzen. De man heeft aan zijn wereldfaam wel een en ander te danken.

Mogelijks mag men hem zelfs de titel toedichten van de laatste grote ster geweest te zijn vooraleer Brian Epstein en de Beatles de wereld van de rockmuziek optilden naar een nooit gezien niveau. Er was plots geen nood meer aan een zanger die oude folk nummers van Pete Seeger ten gehore bracht.

In 1978 verscheen een album, ‘Transformed by time’ simpelweg onder de naam Trini. Voldoende om herkenbaar te zijn, want door de jaren heen verscheen niemand meer aan het popfirmament met de naam Trini (sorry Trinity). Op de plaat herneemt de man enkele van zijn vroegere successen: If I had a hammer en Lemon tree. In een medley tackled hij Candida, Yellow bird en Save the last dance for me. Het gaat hier voor alle duidelijkheid over het feit dat Trini een graantje wou meepikken van de disco rage. Of dat fout is laten we in het midden, want ook Jagger en Stewart en Bowie sprongen op die kar. Op de achterkant van de hoes treffen we enkele namen aan die je niet direct zou verwachten. Neem nu Bob Clearmountain als technicus. Meco was een gekend fenomeen in het wereldje in die tijd. De plaat werd geproduced door het driemanschap Tony Bongiovi (zie ook de Ramones), Harold Wheeler en dus ook Meco Monardo.



Aalst 1988: Feest van de Rode Vaan

Forever Young Posted on 29 okt, 2018 21:09

Vandaag, 29 oktober 1988 is het precies 30 jaar geleden dat het Feest van de Rode Vaan doorging….. in Aalst. Ik had daarvoor al enkele RV feesten meegemaakt in Brussel, maar deze keer te Aalst. Gedurende de jaren tachtig was ik cultuurmedewerker bij dit blad, onder het redacteurschap van Ronny De Schepper. Ronny, dezer dagen, genietend van zijn pensioen laat nog dagelijks stukjes los op de wereld via zijn blog: dagelijks iets degelijks. Zo was ik vorig jaar zelf nog het “lijdend” voorwerp van een van die stukjes. Ronny verhaalt hoe hij mij indertijd als “jongere” aan boord haalde, omdat hij zelf wat was uitgekeken op de rock en pop die zich in de jaren tachtig aandiende. Gelukkig was dat zonder curriculum, maar zuiver op “schrijftalent”, want anders had Ronny toen al vastgesteld dat ik amper een half jaar jonger was dan hijzelf…..

Begin jaren tachtig keek mijn echtgenote behoorlijk links tegen de maatschappij aan. Zij abonneerde zich in die dagen op het blad van de KP. Tot een lidmaatschap van de partij is het nooit gekomen, zoals bij zovele “sympathisanten”. Mogelijks een van de redenen dat de KP goed tien jaar later zich stilaan naar een laatste rustplaats sleepte…. al zijn de gebeurtenissen in de toenmalige USSR daar zeker ook niet vreemd aan. Ik las het blad mee vanop de zijlijn. Zekere dag stond er op de cultuurpagina een oproep om eender welke plaat te bespreken, en dit in te sturen, wat ik prompt ook deed, en het nog gepubliceerd zag ook. Ik had geheel toevallig een verzamelplaat besproken die ik net ervoor kocht in de Brusselse Metrophone, en waarop het kruim van de nieuwe bands te horen was. Muziek waaruit grotendeels de gitaren waren verdwenen om plaats te maken voor synthesizers. Bovendien had ik nog een extra artikeltje toegevoegd waarin ik ‘Oh Superman’ van Laurie Anderson besprak. Ik snap nu volkomen waarom ik toen Binnen de kortste keren kreeg ik thuis een plaat toegestuurd met bede die ook maar te bespreken. De rockjournalist in mij was geboren….. ik zou die Didden en consoorten eens laten zien wat ik in mijn mars had…… graptjen….

Bijna tien jaar lang schreef ik belangeloos en vooral gratis op totaal vrijwillige basis regelmatig een recensie over een plaat die ik toegestuurd kreeg, of vaak ook zelf kocht. Dankzij de perskaarten die vooral tijdens de zomer mijn richting uitkwamen frequenteerde ik festivals waar ik uit eigen beweging nooit zou heen gegaan zijn. Ik denk hier in de eerste plaats aan Seaside. Andere festivals werden meer dan gesmaakt: Rock Werchter frontstage (wat mij een archief aan goede foto’s opleverde), Festivalcatraz, Rod Stewart enTina Turner op de luchthaven van Oostende, enz… zonder de Vaan was ik nooit aanwezig geweest bij concerten van Rory Gallagher, Yoko Ono, Orchestral Maneuvers in the Dark, of persconferenties van Pete Townshend, waar hij weliswaar ons toesprak vanop een videocassette. Al bij al een heerlijke tijd die bijna tien jaar duurde.

Al schreef ik vaak over mijn eigen helden: Van Morrison, Bruce Springsteen en Marianne Faithfull.

Ik had meer Belgische “rocksterren” kunnen interviewen, maar dat lag mij minder, al heb ik heerlijke herinneringen aan een gesprek met Elsje Helewaut.

Mijn bijdragen werden door mijzelf stop gezet na een dispuut, met een nieuwe vrij jonge cultuur redacteur, over een artikel dat Tanita Tikaram ophemelde. Iets wat maar matig gesmaakt werd. Tanita zingt nog steeds, en de vaan wappert al lang niet meer….

Een nieuwe uitdaging wachtte in de Aalsterse Lorgo (Lokale Raad voor het Gemeenschaps Onderwijs), binnen de Argo, waar ik vaak rond de tafel belandde met lokale lesgevers, schooldirecteurs, industriëlen, apothekers, advocaten enz… voor relevante nabesprekingen in de Aalsterse Babbelaar. Een andere wereld, net als trouwens die andere wereld voor mijn Vaan periode toen ik mij op kynologisch pad begaf. Een pad dat er voor zorgde dat ik in 1981 voor het eerst in Merseyside terecht kwam, en amper enkele maanden later, op aanraden van een hondenvrouw, zelfs in Noord-Wales. Ligt ons levenspad vast? What if…..? (*)

Maar we waren toch in Aalst? Voor het feest van de RV. En wat merk ik, wanneer geheel per toeval het programmablad uit die dagen bekijk? Een divers programma met zelfs een schaakwedstrijd simultaan schaken waarbij de Aalsterse schaakclub Pion schaakt tegen Vasjukov (uit het trainerskmp van Kasparov), turndemonstraties door Sovjet atleten, jazzrockgroep Splash (?), verschillende stands, enz, en om het geheel af te ronden een fuif met Oh Boy.

Of er foto’s van bestaan, probeer ik nog uit te vissen. Oh Boy was net als Joystick een van de bands van William Souffreau uit de periode na Irish Coffee en voor de start van William als solo artiest. Hopelijk krijgen we meer informatie in het binnenkort te verschijnen boek Onion Rock, van Cynrik De Decker en Jan Van Liedekerke (**) dat handelt over de Aalsterse jeugdcultuur tussen 1968 en 1993.

Binnenkort duik ik af en toe in het RV archief.

(*) zoals ooit een oud-collega uit Kesken, het zo plastisch uitdrukte: ‘Was ons kat een koe geweest, we konden ze melken onder de stoof’
(**) https://www.flyingpencil.be/publicaties/72



Volgende »